Specifiek gedrag van hondenrassen ligt vast in het dna

De pointer wijst met zijn poot de jager waar wild zit. Bekend is nu waar het dna voor dit gedrag ligt. foto adriano bacchella/hh Domesitc dog, Pointer pointing / looking in the direction of game. Bacchella, Adriano;Hollandse Hoogte

Hoe brutaal een hond is, of hoe goed hij de jager of herder helpt, is te zien in zijn DNA. Dat ontdekten Amerikaanse onderzoekers na vergelijking van het DNA van 148 hondenrassen (Genetics, 23 juni). Ook bijvoorbeeld krulstaarten en gevouwen oren die typerend zijn voor bepaalde rassen zijn duidelijk gekoppeld aan gebieden op de chromosomen.

Bij honden is de variatie in uiterlijke kenmerken en gedrag opvallend groot. Door strikte fokprogramma’s is er – op evolutionaire schaal bezien – in korte tijd veel variatie tussen hondenrassen ontstaan, maar de variatie binnen een ras is juist erg klein geworden. Die snelle ontwikkeling van rasgebonden variatie intrigeert onderzoekers al jaren. Ze wilden weten welke genetische veranderingen eraan ten grondslag liggen.

Daarom namen ze bloed en wangslijm af van 2.800 honden, van pekineesje tot Duitse dog en van labrador tot pitbullterriër. Ze zochten naar stukken DNA die van ras tot ras sterk verschilden. Daarvoor gebruikten ze per hond ruim 1.500 single nucleotide polymorphisms (SNP’s). Dat zijn plekken in het DNA waar één letter (nucleotide) van de erfelijke code varieert. Zulke SNP’s erven over en meestal erft een flink stuk DNA om de SNP heen ongewijzigd mee. Vind je in het ene hondenras een SNP vaak terug en in het andere ras niet, dan kun je in het DNA om de SNP heen gaan speuren naar genen die iets te maken hebben met kenmerken die specifiek zijn voor dat hondenras.

De onderzoekers keken naar kenmerken die in allerlei gradaties voorkomen bij honden, zoals de grootte van de dieren of de vorm van hun snuit. Zulke complexe kenmerken worden niet bepaald door één gen, maar door meerdere genen en de interactie tussen die genen. De onderzoekers zochten daarom in eerste instantie niet naar losse genen, maar naar quantitative trait loci (QTL). Dat zijn stukken DNA die sterk verbonden zijn aan zo’n complex kenmerk. Vaak liggen er vervolgens in of rondom een QTL meerdere relevante genen.

De onderzoekers vonden allerlei QTL’s die geassocieerd waren met het gewicht van de honden en met de grootte en vorm van hun kop, nek, snuit, oren, poten, vacht en staart. Rondom die QTL’s lagen ze bekende groeiregulerende genen. Andere QTL’s waren gekoppeld aan de levensduur van de honden en aan hun gewicht.

Verder werden vijf soorten gedrag bekeken: hoe brutaal de honden waren, hoe gemakkelijk te trainen, hoe snel opgewonden, hoe goed in het hoeden van een kudde en hoe goed in ‘pointen’: wild zoeken, stilstaan en de jager het wild wijzen met een poot. Rondom de gevonden QTL’s zaten enkele genen die te maken hebben met hersenen en gedrag.

Helaas bleek de SNP-methode niet erg betrouwbaar. Er werden ook heel wat genen opgepikt die niets met rasspecifieke kenmerken van doen hebben. Het onderzoek gaat verder naar de gevoeligheid voor bepaalde ziekten bij hondenrassen. Berber Rouwé