Repressie

Illustratie Anki Posthumus Posthumus, Anki

De laatste weken hebben verschillende recensenten van deze krant de gelegenheid gekregen terug te blikken op hun eerste bijdrage. Omdat ik in mijn columns niet anders doe dan het doorlopend recenseren van onderwijspolitieke ontwikkelingen, wil ik dit seizoen afsluiten met eveneens een terugblik op mijn eerste ‘recensie’. Die verscheen op 30 augustus 1997 onder de titel ‘Niet van harte’, was een reactie op de Rotterdamse gemeentelijke politiek, had betrekking op immigratie en illustreerde het volstrekte gebrek aan principiële aandacht voor de problemen die dit met zich meebracht.

Aanleiding was het volgende krantenbericht: “De gemeenteraad van Rotterdam is akkoord gegaan met de komst van drie islamitische basisscholen. Daarmee zal het aantal scholen voor moslimkinderen in die gemeente toenemen tot vijf. De raad moest op grond van de vrijheid van onderwijs het verzoek van de Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland (SION) toestaan, maar deed dat niet van harte. De PvdA, VVD, GroenLinks en het CDA vroegen zich af waarom allochtonen zich kennelijk niet thuis voelen in het bestaande onderwijs.” Bij het lezen hiervan, schreef ik, barstte mijn klomp. Hoe durfden die raadsleden, inclusief die van het CDA, te beweren dat ze niet begrepen dat moslims kozen voor een weg die Nederlanders die geloven in Christus, Steiner of Montessori al jaar en dag bewandelen?

Dit gebrek aan principieel doordenken, dit halfslachtige, dit ‘we zijn niet boos maar wel verdrietig’, ik vond het ontluisterend. “Niet van harte”, de bevoogding die daaruit spreekt, de onnoemelijke arrogantie van de macht, betere wegbereiders dan deze kwezels had Fortuyn zich niet kunnen wensen.

Vijf jaar later toonde de televisie beelden van de eerste vergadering van de Rotterdamse PvdA-fractie na de historische nederlaag bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2002. Huilend, niet begrijpend, de armen troostrijk geslagen om het Turkse lid dat na deze politieke omwenteling meende te moeten vrezen om samen met alle andere buitenlanders het land te worden uitgezet. Ze begrepen er werkelijk helemaal niets van.

Nadien is er veel veranderd. De Rotterdamse PvdA is, na de harde les van Fortuyn, alsnog werk gaan maken van wat Rotterdammers en alle andere mensen overal in de wereld het belangrijkste vinden: de leefbaarheid van hun woonomgeving. Het achterstallig onderhoud vergde soms onorthodoxe maatregelen. Te onorthodox, vindt de Rotterdamse ombudsman Magiel van Kinderen. Maar omdat hij, om duidelijk te maken wat hij bedoelt, er de Tweede Wereldoorlog bij moet halen, hoeven we hem niet serieus te nemen. Wat deze krant op 23 mei overigens wel deed, door blindelings achter hem aan te hobbelen met de klacht dat de stad grossiert in repressieve maatregelen: ‘De oogst van één week? Een openbaarvervoerverbod, een avondklok (op het schiereiland Katendrecht) en drie cafés die de deuren moeten sluiten wegens aanhoudende overlast. Eerder introduceerde de stad onder meer al het straat-, winkel-, bioscoop- en horecaverbod.’

De verslaggever denkt blijkbaar met nostalgie terug aan de tijd toen er niets werd gedaan als mensen leden onder aanhoudende overlast, of toen jongeren nog ongestraft een bioscoopvoorstelling mochten verzieken; toen het heel gewoon was dat bestuurders voor dit soort problemen wegkeken, omdat ze in de buurten waar zij woonden daar geen last van hadden.

Was de Rotterdamse ombudsman indertijd net zo krachtig als nu in zijn kritiek op bestuurders toen huisjesmelkers, overlast gevende jongeren en drugsdealers ongestoord, zonder dat ze last hadden van zoiets schandaligs als ‘repressieve maatregelen’, het leven van talloze Rotterdammers mochten verzieken? Ik kan me dat niet herinneren.

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick