Pas in je dorp voel je je gelukkig en vrij

In het Westen zoekt de vergrijzende stedeling rust in het dorp, elders zoekt de jonge dorpeling werk in de stad. Wat doet dat met de economie van een dorp? Eerste aflevering van een zomerserie: China.

Tekening Eliane Duvekot Duvekot, Eliane

Als de tweede halveliterfles Tsingtao-bier leegraakt en het Chinese en het Europese voetbal uitputtend zijn behandeld, zakt de argwaan bij Zang Guangyi en zijn vrienden langzaam weg. Met een vileine grijns vraagt hij aan de buitenlander of we het grote nieuws hier in Xidafeng, een dorp in het westelijke mijngebied van de Chinese provincie Shangdong, al hebben vernomen.

Ja, tenminste als hij doelt op de arrestatie van partijsecretaris Wang en districtshoofd Li op verdenking van corruptie.

„Wat? Ni zhidao? Je weet het. En je bent een buitenlander? Wie heeft dat aan je verteld? Wat kletst iedereen toch.”

Beste gastheer, iedereen in Xidafeng praat over niets anders dan de aanhouding van de gevestigde orde. Te beginnen bij de jonge weduwe Meng, de vrolijke eigenaresse van het textielwinkeltje, maar ook boer Shing met zijn verweerde kop en donkerbruine tanden en diens vrouw Yan hadden het er meteen over. En de bedachtzame dokter Zhang Li, die kan doorgaan voor een tweelingbroer van een jonge Mao Zedong, was zelfs ontdaan, want als loyaal partijlid had hij de partijsecretaris hoog zitten.

„Dui, dui, oké, oké. Ik snap het. Nou ja, we hebben net zolang over die boeven geklaagd tot er naar ons is geluisterd. We hebben maandenlang geprotesteerd bij de provinciegouverneur en we hebben brieven geschreven.”

De gevestigde orde bekritiseren en aanklagen is toch niet zonder risico?

„Waah, ik ben voor geen baas bang, dat is niemand hier”, zegt hij stoer.

Zang Guangyi, een 24-jarige vrachtwagenchauffeur en migrantenarbeider, die samen met zijn vrouw Li (22) de kleine supermarkt van Xidafeng uitbaat, gaat er op zijn met skai beklede bank eens goed voor zitten.

In de huiskamer zijn de rode en gele slingers van hun trouwfeest nog niet opgeruimd. Op CCTV-5, het gloednieuwe olympische sportkanaal dat het EK 2008 integraal uitzendt, flitsen goals langs. „Hen piaoliang, heel mooi”, roept hij bewonderend. Voetbalgekte is ook in China uitgebroken.

De aanhouding van partijsecretaris Wang en het districtshoofd, legt hij vervolgens met veel omwegen uit, heeft te maken met de verhuizing van oud Xidafeng naar nieuw Xidafeng én met het negeren van instructies uit de provinciehoofdstad Jinan en Peking.

De lokale partijbazen zouden een deel van de gelden die bestemd waren om de bewoners te helpen bij de aanschaf van nieuwe, duurdere huizen hebben „afgeroomd”. De twee bestuurders zouden ook de landbouwbelasting niet hebben verlaagd, zoals in Peking was bepaald.

„Ik hoop dat zij wegrotten in de gevangenis, corruptie moeten we keihard bestrijden, dat zegt onze president Hu Jintao ook”,roept Zang en hij spuugt stevig in de asbak.

Het hele dorp met 2.700 inwoners, gesitueerd in een zachtglooiend landschap met uitgestrekte tarwevelden en nerveus ritselende populieren, is in elf maanden tijd verplaatst; van de ene kant van de tweebaansweg die naar de kolenmijnen voert naar de andere kant: van een somber dorp dat door het instorten van het ondergrondse gangenstel acuut werd bedreigd, naar comfortabele nieuwbouw op solide bodem.

Oud Xidafeng, troosteloos als het Chinese platteland kan zijn, was een sterfhuis. Er was geen stromend water, geen riolering, geen elektra tot 1985, geen telefoon, er ontbraken een behoorlijke winkel, een school en een kliniek. Het 100 jaar oude dorp vergrijsde.

In nieuw Xidafeng, met betongrijze laagbouw en luxueus ogende, bruinrood geschilderde appartementen, beschikt iedere familie over een ruim huis, douche en wc met stromend water. Iedereen heeft tv, én iedereen heeft een mobiele telefoon. Een wc met stromend water is overigens nog altijd voor 60 procent van de Chinese huishoudens een onbekende luxe. Nieuw Xidafeng oogt een beetje als een modeldorp in het kleurenmagazine van het communistische Volksdagblad, maar is wel degelijk representatief voor een geheel nieuwe ontwikkeling op het Chinese platteland.

Voor de bewoners van Xidafeng, zeker voor de ouderen die nog nooit het district hebben verlaten, was de verhuizing de meest enerverende gebeurtenis sinds de afschaffing van de volkscommunes in 1982, hoewel jongeren in het dorp de komst van de eerste kleurentelevisie in 1988 memorabeler vinden.

In deze streek worden, net als in andere oostkust- en centraal gelegen provincies, tienduizenden nieuwe dorpen gebouwd in het kader van de ontwikkeling van het platteland. Zeventig miljoen huizen moeten in ruraal China tussen 2005 en 2030 gesloopt en vernieuwd worden. Miljarden euro’s – het precieze bedrag is niet te achterhalen – worden jaarlijks uitgegeven aan de ontwikkeling van het platteland en de stimulering van de rurale economie.

Misschien nog belangrijker vanuit het perspectief van de Communistische Partij van China is het bestrijden van sociale onrust op het platteland. De onvrede over de armoede, de inkomenskloven, de werkloosheid, corrupte bestuurders, landroof door industrieën en grieven over belastingen is groot en leidt regelmatig tot acties.

Hoe succesvol het plattelandsbeleid van president Hu Jintao en premier Wen is, moet nog blijken. Vaststaat dat honderden miljoenen ontsnapt zijn aan absolute armoede volgens Chinese maatstaven, maar dat nog zeker 150 tot 200 miljoen mensen minder dan 250 euro per jaar verdienen.

In Xidafeng is de kwaliteit van het leven er in ieder geval enorm op vooruitgegaan. Dat kan ook verwacht worden in het relatief welvarende en gunstig gelegen Shangdong, de geboorteprovincie van Confucius, met zijn kolenmijnen, olievelden, chemische industrie, Sinotrucks en de havenstad Qingdao, waar naar Duits recept het Tsingtao-bier wordt gebrouwen. Anders gezegd, als gevolg van het gedecentraliseerde belastingsysteem beschikt de provincie Shangdong over de fondsen om het beleid uit te voeren dat in Peking wordt bepaald. In andere provincies, bijvoorbeeld Shaanxi, is dat niet het geval.

Zo groot is de sprong voorwaarts dat Zang Guangyi heeft besloten bij zijn geliefde Li te blijven en niet snel terug zal keren naar de bouwstellingen in Shanghai, waar hij vanaf zijn 15de heeft gewerkt. Hij denkt het te kunnen redden met de winkel en als vrachtwagenchauffeur. De mijnen hebben altijd chauffeurs nodig en 150 kilometer zuidelijker ligt Jining, een snel groeiende industriestad.

Samen met zijn makkers Wang Miao en Ma Yanyun heeft hij jarenlang „als een slaaf” gewerkt in het Shanghaise Pudong, dat zich ontwikkelt tot het financieel-economische centrum van China. Zang, Wang en Ma stonden op de stellingen van kantoren waar nu Fortune-500-bedrijven en de grootste Chinese ondernemingen zijn gevestigd.

Wang Miao is nu treinmachinist bij de mijnen en rijdt iedere nacht op de kolentreinen naar Qingdao, Ma Yanyun werkt ondergronds. Dat is te zien aan zijn bleke huidskleur en rood doorlopen ogen. Alle drie verdienen zij tussen de 150 en 250 euro per maand, afhankelijk van overuren, extra diensten en de opbrengsten van hun lapjes grond.

Dat zijn lonen waar zij in Xidafeng goed van kunnen leven, want gas, water en licht zijn hier goedkoop, een halve liter bier kost 50 eurocent, groentes verbouwen zij zelf, rijst kost 2 euro per zak van vijf kilo, de vis komt uit de meren die zijn ontstaan door inzakkende kolenmijnen, alleen varkensvlees is bijna net zo duur als in de stad.

Ma Yanyun: „Mijnwerker is een heel gevaarlijk beroep, dat is waar. Maar de mijnen hier zijn niet zo slecht als in Shaanxi [de naburige provincie, red.] Het voordeel is dat we bij onze families zijn.”

Wang Miao: „In Shanghai deden we niets anders dan werken, slapen, eten en werken. We gingen een keer per jaar naar huis. Dat is niets als je getrouwd bent.”

Zang: „Je kan er goed verdienen, maar ik voel mij hier veel vrijer en gelukkiger. Ik ken veel migrantenwerkers die terugwillen naar hun dorp. Dat verlangen maakt hen soms gek.”

De anderen knikken. Zij hebben hun nieuwe vrijheid kunnen kopen door jarenlang te sparen. De 8.000 euro die de winkel en het appartement kostten, kon Zang betalen uit de opbrengst van zijn oude huis en zijn spaarpot. „Ik hoefde geen mao te lenen.” Het scheelt dat hij de enige is die bier en maotai verkoopt.

Of zij de voorhoede zijn van een omgekeerde migratiestroom, dus van de stad naar platteland, lijkt echter onwaarschijnlijk. Hoewel de staat wel probeert de grootste volksverhuizing in de menselijke geschiedenis (tussen de 90 en 120 miljoen boeren verkasten naar de stad, er zullen nog miljoenen volgen) af te remmen. Het is bijvoorbeeld moeilijk geworden de hukou (registratie in het bevolkingsregister in de geboorteplaats) te wijzigen.

Dr. Zhang Li ontvangt in zijn werkkamer van de nieuwe kliniek. In het oude dorp was zijn praktijk gevestigd in een stenen huis zonder zonlicht, airco of ventilatie, nu beschikt hij over een behandelkamer, een wachtkamer en een apotheekje, versierd met posters van Olympische Spelen.

Hij en zijn vrouw zitten in spanning, want hun 17-jarige dochter Juan doet mee aan de universitaire toelatingsexamens, een cruciaal moment in haar leven. Juan is een van drie dorpsjongeren die deelnemen aan deze examens.

Zij wil in de provinciehoofdstad Jinan, waar een nieuw universitair complex is gebouwd voor 60.000 studenten, medicijnen gaan studeren. Op de vraag of zij na haar studie naar Xidafeng zal terugkeren, schudt zij haar hoofd; „Nooit. Ik wil naar Shanghai of naar Amerika om te studeren voor neurochirurgie.”

Zakt zij, dan trouwt zij snel en gaat zij werken in een fabriek of in de mijn en brengt de rest van haar leven in het dorp door. Maar daar wil ze niet aan denken, laat staan over praten.

Dr. Zhang, een veertiger met een ovaal gezicht en hoog voorhoofd: „Het grootste deel van het jaar zie je hier alleen maar vrouwen, kinderen en bejaarden op straat, de mannen zijn aan het werk en komen een keer per maand of een keer per jaar naar huis. En jongeren moeten wel weg als ze iets willen worden en daar worden ze door hun ouders ook toe gedwongen. ”

Zelf is hij tevreden met zijn bestaan als plattelandsdokter. „We hebben in een paar maanden tijd de overgang gemaakt van de Middeleeuwen naar de moderniteit. De meesten zijn tevreden, hoewel ze dat nooit openlijk zullen zeggen. Dat komt ook omdat sommigen veel geld hebben moeten lenen om een huis in het nieuwe dorp te kopen. Daar hoor ik iedere dag opnieuw klachten over.’’

Een van de boeren die de verhuizing financieel eigenlijk niet aan kunnen, is Shing, 64, klein en mager als een eetstokje. Van de overheid kreeg hij 6.000 euro voor zijn oude huis, maar het nieuwe huis kost 8.000 euro. Omdat hij land pacht van de lokale coöperatie, kreeg hij van de bank een lening van 750 euro en de resterende 1.250 euro heeft hij geleend van familieleden. Maar hij verdient nog geen 500 euro per jaar na aftrek van belastingen en kosten van zaaigoed en pesticiden.

Er loopt een gutsje kwijl uit zijn mond als hij, woedend, kankert over over de corrupte partijsecretaris. Het lapje grond waarop hij tarwe, gierst, raapzaad en een hoekje Chinese kool verbouwt, is nog geen zeven mu, ongeveer een halve hectare, groot. Van de gestegen internationale graanprijzen merkt hij weinig, want hij kan als gevolg van het staatsmonopolie op de graanhandel niet de vrije markt op.

Werken in de grote steden is op zijn leeftijd geen optie meer, de mijnen nemen hem ook niet aan, want, zegt hij „de mijnen willen geen domme boeren”. Wat Shing van het nieuwe huis vindt, is een te onbeschofte vraag.

Maar dat zijn vrouw Yan over het nieuwe huis content is, valt meteen op na het betreden van de binnenkoer via de zware, rood geschilderde poort. Gekalligrafeerde teksten en een groot, dromerig schilderij van een paradijselijk landschap op geglazuurde tegels heten de gast welkom. Yan heeft van de binnenplaats een planten- en bloementuin gemaakt en koken doet ze buiten onder het afdak. Een Chinese boerin kookt niet binnen, want dan kan ze niet roddelen, snuift Shing.

Binnen is het smetteloos, alleen geld voor nieuwe meubelen was er niet. Ze heeft haar hele leven al gewoond in een bedompte kamer met spinnenwebben, dooie bromvliegen en stofpluizen, vertelt zij als we, zittend op kleine krukjes, thee drinken en haar smakelijke gepofte aardappelen met knoflook en gestoofte maïskolven eten.

Ze heeft nog nooit eerder met een westerling gesproken en vindt bezoek reuze gezellig. Ze zou graag gordijnen kopen in de nieuwe stoffenwinkel, maar ze durft dat niet aan haar man te vragen.

Die winkel is van Meng Li, een weduwe. Haar man verongelukte vorig jaar op een bouwstelling in Peking. Zijn foto hangt in een zwart lijstje boven de deur.

De winkel, eigenlijk een huiskamer, heeft zij kunnen kopen van het geld van haar oude huis, de spaarpot van haar man en de 2.500 euro die zij van de verzekering kreeg na zijn overlijden. Meng, begin dertig, met haar haar in een paardenstaart, heeft het druk, want iedereen koopt bij haar nieuwe gordijnen en stof om kleren van te maken.

Aan de snijtafel maakt haar dochtertje van tien haar huiswerk. Van haar maandelijkse inkomsten – netto 145 euro – zegt zij rond te kunnen komen, er blijft af en toe zelfs wat over en dat gaat in een beleggingsfonds.

Opgewekt zegt zij: „Mijn man wilde dat we naar de stad zouden verhuizen. Dat kan nu niet meer, want dat is verboden door de staat. Ik zou ook niet meer willen, want de leefomstandigheden zijn hier veel beter. De lucht is schoon. We zijn hier veel vrijer. Eindelijk.”