Overtuigde rechters

Wanneer vindt een rechter iets bewezen? En waarom vinden deskundigen steeds vaker achteraf dat veroordelingen onjuist zijn? Rechters vinden de waarheid op een andere manier, zegt raadsheer prof. Tineke Cleiren. Folkert Jensma

foto leo van velzen Leiden, 25-06-08. Mevr. Mr. Tineke Cleiren, hoogleraar strafrecht. Foto Leo van Velzen Nrc Hb Velzen, Leo van

Tineke Cleiren vindt het tijd om iets terug te zeggen. Tegen de academici en andere deskundigen die achteraf zoveel ophef maken bij strafzaken. Ze doet dat op kousenvoeten. Dat kan niet anders. Ze zat in een commissie die namens het openbaar ministerie zo’n ‘twijfelzaak’ onderzocht. Niet de bekendste, over Lucia de B., maar de moordzaak van de bejaardenverzorgster Ina Post. Ze is ook raadsheer in een Hof en strafrechthoogleraar in Leiden. Ze weegt dus haar woorden. Binnenkort verschijnt er een lang en beleefd artikel in het vakblad Strafblad, waarin ze haar bezwaren uiteen zet.

Tegelijk erkent ze dat de Hoge Raad rechters toestaat in strafprocessen vrij gemakkelijk met bewijzen om te springen. Voor andere wetenschappers is dat niet altijd te volgen.

Bewijs in strafzaken wordt grotendeels door de rechter ‘geconstrueerd’. Naast wettelijke bewijsmiddelen kent de wet aan de overtuiging van de rechter doorslaggevende betekenis toe. Uiteindelijk liggen de feiten zo omdat de rechter vindt dat ze zo liggen. Tussen vrijspraak en veroordeling zit niets. Twijfel is een grond voor vrijspraak. De rechter móét beslissen, waar de wetenschapper mag blijven twijfelen en zoeken. De rechter is klaar, per definitie.

In de zaak Ina Post sprak het driemanschap waarvan Cleiren deel uitmaakte met vijftig betrokkenen, en het herlas alle dossierstukken. De uitslag was verontrustend: de rechter heeft destijds een slecht dossier op de zitting gekregen. Er is twijfel gerezen over het tijdstip van overlijden. De bekentenis van Ina Post is mogelijk niet betrouwbaar. Bij de Hoge Raad studeert de procureur-generaal nu op mogelijkheden voor een herziening.

Over vermeend onrecht rond Ina Post schreef de Maastrichtse rechtspsycholoog Han Israëls een boek. Bij Lucia de B. waren de Leidse hoogleraar statistiek Richard Gill en de wetenschapsfilosoof Ton Derksen overtuigd van een rechterlijke dwaling. Zo kwamen er over meer zaken boeken, advertenties, interviews uit de academische wereld.

Tineke Cleiren erkent dat er zwaktes zitten in het juridische bewijsstelsel. Maar ze heeft ook kritiek op de hoogleraren en andere freelance deskundigen die met een ‘onjuridische blik’ door de porseleinkast van het strafproces heen lopen.

Geeft u eens een voorbeeld van de zwakte van het bewijsstelsel.

“Neem die zaak Ina Post. Het bewijs bestond daar kort samengevat uit een lijk, het feit dat de verdachte op de dag van het overlijden daar werkte en het feit dat ze bekende. Dat was het hele bewijs. Er was verder geen enkel technisch bewijs waaruit bleek dat zij die moord ook feitelijk pleegde. Een zwakte van ons stelsel is dat de rechter zelf keuzes mag maken uit het aanwezige bewijs en ook stukjes bewijs weg mag laten.”

Dus de rechter mag zijn overtuiging bij elkaar rapen uit het bewijs?

“Ja. Er moeten minimaal twee zogeheten ‘bewijsmiddelen’ zijn, zoals verklaringen, documenten, of testuitslagen. Maar die hoeven elkaar niet te overlappen. Er is bijvoorbeeld een arrest [van de Hoge Raad] over het bezorgen van een dreigbrief waarvan alleen werd vastgesteld dat die brief op de deurmat lag en de verdachte in die straat toen post bezorgde. Klaar. Je kunt zo met beperkte bewijsmiddelen toch tot een veroordeling komen. Dat heeft de Hoge Raad al in 1926 goed gevonden. Eén bewijsmiddel ‘met aanvullend bewijs’ is genoeg. Die zwakte is ingebouwd. Daar kun je heel kritisch over zijn. Maar zo’n systeem is echt nodig bij seksuele delicten. Daar heb je doorgaans alleen verklaringen van slachtoffer en verdachte. Stel dat het slachtoffer een blauwe plek heeft en een verdachte aanwijst. Die combinatie wordt geaccepteerd door de rechter. Anders kun je zo iemand nooit aanpakken. Als er nou ook spermaonderzoek was, dan heb je een hard gegeven. Die blauwe plek alleen zegt dat er iets gebeurd is. Niet dat hij het heeft gedaan. Dit type delicten heeft er mede toe geleid dat het strafrecht nog soepeler is geworden met bewijs.”

Bétawetenschappers durven dat nóóit zo te doen.

“Dat is zo. Tegelijkertijd roepen zij ook heel hard dat die of die zaak herzien moet worden. Bijvoorbeeld de Lucia de B.-zaak of die tegen Ina Post. Dat zij meer concrete bewijzen eisen is heel goed. Dat zij er meer aandragen is ook prima.”

Is de juridische manier van waarheid vinden wel gelijkwaardig aan de experimentele?

“Empirische bewijsvoering in de bètawetenschappen is makkelijker. Daar kun je met een hoge mate van waarschijnlijkheid causale verbanden vaststellen en conclusies trekken. Op dit punt is recht een sociale wetenschap. De vraag blijft altijd of oorzaak en gevolg rechtstreeks op elkaar zijn te betrekken. Maar het recht maakt wel zoveel mogelijk gebruik van empirie. DNA, toxicologie, bloed, technisch sporenonderzoek – in die zin is het net zo degelijk. Maar als je één stuk forensisch bewijs hebt zal er altijd iets van een getuigenverklaring of een ander bewijsmiddel of een bekentenis bij moeten zijn. Oorspronkelijk is ons bewijsstelsel echt strák bedoeld – met een minimum van twee bewijzen per bestanddeel van het delict.”

De arts/farmacoloog A.J.M. Loonen schreef in januari in het Nederlands Juristen Blad dat rechters te gemakkelijk enkelvoudig bewijs accepteren: alleen feiten die bijdragen aan het bewijs doen ter zake. Eén onweerlegbaar feit is al voldoende om het geheel te bewijzen. Wat twijfel zaait wordt weggelaten.

Zo zou een dokter toch nooit mogen werken?

“Het is niet de taak van de rechter om vast te stellen wat er feitelijk precies is gebeurd. De opdracht van de rechter is beperkt: kan worden bewezen wat de officier ten laste heeft gelegd. Hij gaat in tegenstelling tot de politie of de officier niet zoeken naar wat er echt gebeurd zou zijn. Is er gebeurd wat in de telastlegging staat? Om die vraag draait het voor de rechter. Hij stelt geen diagnose als een arts.

“Stel dat iemand wordt vervolgd wegens mishandeling. Als de verdachte dan ter zitting zegt ‘ik wou ’m vermoorden en dat heb ik ook gedaan’, mag de rechter niet zeggen ‘goed, dan gaan we verder met moord’. Ook al is het slachtoffer dood. Het openbaar ministerie bepaalt autonoom waar het op de zitting over zal gaan. Het blijft dan mishandeling.”

Maar het écht mystieke element in het strafproces is de doorslaggevende rol die de overtuiging van de rechter heeft.

“Die overtuiging is het laatste stukje, aan het eind, in de raadkamer. Je kunt soms vier, vijf, zes bewijsmiddelen hebben en dan nog niet overtuigd zijn. Bijvoorbeeld omdat het nog steeds niet uitgesloten is dat een ander het ook gedaan zou kunnen hebben. Maar de rechter mag geen uitspraak weigeren. Hij mag niet, zoals een wetenschapper, zeggen ‘we zijn er nog niet uit’, het bewijs is onvolledig of te zwak.”

Het verbod op rechtsweigering verhoogt dus de kans op dwalen?

“Die ‘overtuiging’ is juist bedoeld om aan dat bezwaar tegemoet te komen. Het juridische systeem weet heel goed dat je de echte waarheid niet boven tafel kunt halen, maar dat je aan het reconstrueren bent wat er gebeurd kan zijn. Het recht moet meer functies dienen dan alleen empirische. Het recht heeft een concrete maatschappelijke functie. De rechter moet kiezen. Hij moet aan de onbalans, aan de maatschappelijke verstoring, een eind maken. Een beslissing nemen, de zaak niet in het midden laten. Daar hebben empirici geen last van. Als de rechter ook bij vier bewijzen en een hoge graad van waarschijnlijkheid twijfel houdt, dan moet hij nee kunnen zeggen en vrijspraak geven.”

Zijn rechters voldoende toegerust om empirisch materiaal te kunnen hanteren?

“De gemiddelde alfa denkt misschien dat je uit empirische wetenschappen honderd procent waarheid kunt halen en dat je dus bij het recht maar wat aanleutert. Maar zo zit het niet in elkaar. Een rechter moet meer weten over de status of de positie van die wetenschappen. En daar dan de goede vragen over stellen. Wat een psycholoog aandraagt – daar zit net zoveel overtuiging in als de rechter zelf heeft. Terwijl een bètawetenschapper andersoortige waarheid kan aandragen. Op dat niveau zijn onze rechters niet voldoende of slecht geschoold. De meeste rechters zijn alfa. Inmiddels wordt daar wel hard aan gewerkt.”

Wat zijn de risico’s voor het strafproces van een ‘deskundigenaanval’, met boeken, bètamethodes, websites en verborgen tv-camera’s?

“Nou, neem de Natalee Holloway zaak. Daarin komt Peter R. de Vries met nieuw materiaal dat hij als bewijs duidt. Dat wekt ten onrechte de indruk dat Justitie het niet goed doet omdat hij in z’n eentje, of met z’n team, het wél kan. Dat tast in zekere zin de legitimiteit van het strafproces aan. Een verslaggever noch een deskundige hoeft zich aan dezelfde grenzen te houden als opsporingsambtenaren. Hij hoeft niet te zeggen dat de geïnterviewde niet tot spreken is verplicht. Druk uitoefenen, oneigenlijk bejegenen om mensen aan het praten te krijgen. Dat kan allemaal. Zulk bewijs is heus niet altijd zo betrouwbaar als mensen wel denken.”

Maar die academici zijn juist professionele duiders van informatie. Die hebben wat te verliezen.

“Dat is waar, ze kijken breder, het is belangrijk dat ze er zijn. Maar ook als zij met getuigen spreken zijn er geen waarborgen voor de betrouwbaarheid van die verklaringen. Die biedt het strafproces wel. Zij kijken niet-juridisch.”

U neemt het hen kwalijk dat ze hun overtuiging centraal stellen – het zijn lobbyisten. Maar de moderne officier is toch ook al een ‘crime fighter’, die z’n tong niet thuislaat?

“Naarmate de officier meer overtuigd is van de schuld van de verdachte, is hij nóg meer verplicht om ook ontlastend bewijs aan te leveren. Zijn eigen overtuiging mag niet dominant zijn. Het is waarheidsvinding in brede zin. Het antwoord op de vraag of het bewijs overtuigend is komt alleen aan de rechter toe. Niet aan de politie, niet aan de officier. Er zijn allerlei maatregelen om een onbetrouwbare verklaring te voorkomen. Een justitieambtenaar mag niet onder pressie horen. Er moet een advocaat naast zitten.”

En dan stapt er een psycholoog of statistiekprofessor binnen met opvattingen en eigen bewijzen.

“Je kunt een zaak bederven met een vals beeld. Alle bescherming die het recht biedt voor betrouwbaarheid en behoorlijkheid valt dan weg. De contra-expertise bij de zitting, de cautie [waarschuwing dat de verdachte niet tot antwoorden is verplicht; red], het verbod druk uit te oefenen, etcetera. Als er te veel ophef ontstaat, kan een rechter niet meer oordelen. De verdachte krijgt dan geen eerlijk proces meer. De rechter kan niet meer onafhankelijk tot een overtuiging komen. Die is bevooroordeeld geraakt. In de Holleederzaak bijvoorbeeld is de grote publiciteit door de verdediging aangegrepen om niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te bepleiten. In andere zaken is ook wel een lagere straf geëist of opgelegd, omdat de dader ook al gestraft zou zijn door alles wat er omheen gebeurde. In de zaak van Volkert van der G. is dat aan de orde geweest. Het is niet uitgesloten dat zoiets hier ook gebeurt.”

In de politiek geldt dat over zaken ‘onder de rechter’ (‘sub iudice’) niet publiekelijk wordt gesproken. Zouden academici daar ook aan moeten?

“Ik zou ze zeker niet willen wegdrukken. Ze zouden alleen moeten beseffen dat wat zij doen niet altijd tot een betere waarheid leidt. Je kunt ze hoogstens aanspreken op hun wetenschappelijke integriteit. Men begint vanuit een academische belangstelling, maar gaat zich vereenzelvigen met één van de partijen. Daar is geen zelfrelativering te merken.

“Men beseft evenmin hoe het wettelijke bewijsstelsel in elkaar zit. De rechter moet een overtuiging hebben, op basis van een minimale hoeveelheid bewijs. Er zijn ook gevallen waarin daaraan is voldaan, zelfs met veel bewijs, maar de rechter toch twijfelt en vrijspreekt. Dat past vaak niet in hun perceptie. Maar het is wel de kern van ons bewijsstelsel. Die overtuiging is een discretionaire bevoegdheid van de rechter, een persoonlijke waardering. Externe deskundigen kunnen die bevoegdheid vaak niet op waarde schatten.”