Nog steeds 5 miljoen Irakezen op de vlucht

Het lijdt geen twijfel dat het geweld in Irak aanzienlijk is verminderd. Maar op alle slechte lijstjes staat het land nog steeds in de top. De onderliggende problemen zijn namelijk niet opgelost.

In Baquba is het dagelijks geweld aanzienlijk verminderd, net zoals op de meeste andere plaatsen in Irak. Vorige maand vielen er volgens een telling van het Amerikaanse persbureau Associated Press 550 doden in Irak – nog steeds ondenkbaar veel vergeleken met een doorsnee Arabisch land (18 per maand in het buurland Syrië in 2004), maar weinig in vergelijking met de 2.155 van vorig jaar mei.

Maar de situatie blijft uitermate fragiel. De sunnitische terreurgroep Al-Qaeda-in-Irak is volgens de autoriteiten ver in het defensief gedrongen en de radicale shi’itische geestelijke Muqtada Sadr houdt zich nog steeds aan zijn staakt-het-vuren, ook al wordt zijn militie in diverse steden door de regering belaagd. Daartegenover staat dat er weinig tekenen zijn dat de tegenstellingen tussen met name sunnieten en shi’ieten zijn verminderd die zich na de aanslag op de shi’itische Gouden Moskee in Samarra in februari 2006 ontlaadden in een orgie van sektarisch bloedvergieten. Aan politieke verzoening heeft de regering weinig gedaan. Er wordt nog steeds geruzied over een wet die de olie-inkomsten eerlijk verdeelt over de gemeenschappen, de Koerden worden steeds bozer omdat de kwestie-Kirkuk niet is geregeld en veel mensen zien de provinciale verkiezingen later dit jaar met bezorgdheid tegemoet.

De tegenstellingen zijn onderdrukt, maar niet weggenomen. Neem Baquba. Daar werden een week geleden Ali Zaid Owayd al-Shimmari (27) en zijn broer Ammar (23) vermoord teruggevonden, zo meldden persbureaus. De shi’itische broers waren een week eerder uit hun huis ontvoerd. Vorig jaar waren ze met hun familie uit Baquba gevlucht voor het niets-ontziende geweld van Al-Qaeda. In mei besloten ze uit de shi’itische enclave waar ze hun toevlucht hadden gezocht naar hun vroegere woning in een voornamelijk sunnitische buurt van Baquba terug te keren. De lokale autoriteiten hadden hen en andere shi’itische ontheemden daartoe aangemoedigd.

Op de ranglijst voor 2008 van mislukte staten van het Amerikaanse blad Foreign Policy is Irak dankzij het verminderde geweld van 2 naar 5 gezakt van de 177. Een paar plaatsjes maar, omdat „de verbetering waarop je zou kunnen hopen – die fundamentele, lange-termijnveranderingen weerspiegelt – niet is gekomen”. Foreign Policy somt op: „De wanhopige situatie van bijna vier miljoen mensen die uit hun woningen zijn verdreven, de verschrikkelijke staat van de publieke diensten en de onenigheid tussen sektarische facties hebben geen werkelijke verbetering laten zien.”

De opsomming is nog te optimistisch: niet bijna vier miljoen mensen zijn in binnen- of buitenland op de vlucht, maar bijna vijf miljoen: twee miljoen in het buitenland en 2,77 miljoen in eigen land. Dit zijn de cijfers van deze maand, en die zijn, aldus een woordvoerster van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR, het afgelopen jaar niet veranderd. Gezien de onzekere situatie, zei zij deze week, moedigt het UNHCR vluchtelingen en ontheemden uitdrukkelijk niet aan naar hun woningen terug te keren. Wat nu soms gebeurt is dat vluchtelingen die onder druk van geldgebrek uit het buitenland terugkeren, hun huis bezet aantreffen en in plaats van gevlucht ontheemd raken.

Dat is een van de vele grote problemen waarmee de regering wordt geconfronteerd. De afgelopen paar jaar zijn de meeste gemengde steden etnisch en religieus gezuiverd. De voltooiing van die zuivering is ook een reden waarom het sektarisch geweld is verminderd. Nu wil de regering de krakers weer weghebben en de ontheemden hun woningen teruggeven ten teken van oprukkende normalisering. „Volgende maand, zo God het wil, zullen we een definitieve tijdlimiet bekendmaken wanneer de bezetters weg moeten zijn”, zei vorige week de Iraakse legerwoordvoerder in Bagdad, generaal-majoor Qassim Moussawi. Generaal-majoor Qassim Atta, militair woordvoerder van het veiligheidsoffensief in Bagdad, ging nog verder: „We hebben toekomstige plannen om Bagdad een stad van vrede te maken, een stad zonder wapens.”

In een donderdag in Londen gepubliceerd rapport waarschuwde de internationale denktank The Senlis Council echter voor de „intense woede” van de jonge generatie, die een makkelijke prooi kan worden voor extremisten. De groep interviewde eerder deze maand volgens een woordvoerder ruim 400 jongeren in Bagdad van wie 62 procent zei „vaak of altijd” kwaad te zijn. Een belangrijke bron van die woede is volgens The Senlis Council de belabberde sociaal-economische toestand. VN-cijfers geven aan dat 40 procent van de Irakezen werkloos is. Nog steeds hebben veel mensen maar de helft van de dag stroom en is de gezondsheidszorg een drama.

En veel verbetering zit er op dat gebied ook al niet in. De Wereldbank en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken hebben er beide op gewezen hoezeer de reusachtige corruptie bij zowat alle Iraakse ministeries zowel de wederopbouw als ook het vertrouwen van de bevolking in democratische instellingen ondermijnt. Transparency International klasseert Irak dit jaar op de twee na onderste plaats, net voor Birma en Somalië. Iraks chef-corruptiebestrijder, rechter Radhi al-Radhi, is in april naar de VS gevlucht.