Mont-Saint-Michel moet weer spectaculair worden

De Mont-Saint-Michel is een spirituele plek, maar ook een van de grootste toeristische trekpleisters van Frankrijk. De rots-met-klooster en omgeving worden opnieuw ingericht.

Om het aanzicht van de Mont-Saint-Michel weer spectaculair te maken, wordt een stuwdam gebouwd bij de monding van het riviertje de Couesnon, waardoor de verzanding van de baai geremd wordt. Foto AFP Les travaux de construction du barrage sur le Couesnon, première phase du désensablement du Mont-Saint-Michel, en Normandie, dans l'ouest de la France, se poursuivent le 12 février 2008. Lancé en 2006, ce chantier sur l'un des principaux sites touristiques français, prendra fin en 2015 et non en 2012 comme initialement prévu, a annoncé le 11 février 208 le maître d'ouvrage du projet. Ces travaux ont été lancés pour que le célèbre rocher sur lequel se dresse une abbaye médiévale redevienne une presqu'île. Comme toutes les baies, celle du Mont-Saint-Michel est peu à peu comblée par les sédiments déposés à chaque marée. AFP PHOTO MYCHELE DANIAU AFP

Officieel is hij alleen verantwoordelijk voor de aanleg van een stuwdam (die moet zorgen voor meer vloed), een wandelbrug en een parkeerplaats. Dat klinkt neutraal, in levensbeschouwelijk opzicht.

Maar ingenieur François-Xavier de Beaulaincourt (52), chef van de herinrichting van de baai rond de Mont-Saint-Michel, vindt dat hij een project leidt met een religieuze dimensie. „Het gaat er echt niet om toeristen te bekeren”, zegt hij. „Maar de Mont-Saint-Michel is een spirituele plek. Dat moet iedere bezoeker straks weer kunnen voelen.”

Nu is dat niet zo, daar is de Mont-gemeenschap ( 22 inwoners, van wie 14 geestelijken, plus enkele tientallen op het ‘continent’ wonende winkeliers) het wel over eens. De rots-met-klooster voor de kust van Normandië, pelgrimsoord sinds bisschop Aubert in 708 van aartsengel Michaël de opdracht kreeg er een tempel te bouwen, wordt jaarlijks overspoeld door drie miljoen toeristen – en mag daarmee claimen Frankrijks grootste toeristische trekker na Parijs te zijn.

Al die bezoekers lopen elkaar, vooral in de zomer, voor de voeten, verpesten de aanblik van de rots door massaal aan de voet ervan te parkeren, op een negentiende-eeuwse dijk die er bovendien voor zorgt dat steeds grotere delen van het over twaalf kilometer uitgestrekte wad in de baai van Saint-Michel verzanden.

Op de Mont-Saint-Michel zeggen ze dat er twee getijden zijn, vertelt François Saint-James (43), een van de laatste bewoners en gids in de abdij. Er is het tij van de zee die zich steeds verder terugtrekt. En er is la marée humaine, de menselijke vloedgolf van toeristen. In de kleine winkelstraat is het in juli en augustus „persen als in de metro in Parijs”, zegt hij. „Het is dat we een aartsengel boven ons hoofd hebben, anders was er al lang een ramp gebeurd. Brandweer en ziekenauto kunnen hier nergens bij.”

Met winkelier Noëlle Poignant (69) kijkt Saint-James op deze zonnige junimorgen vanuit café De Pelgrim uit op het reepje baai tussen de Mont-Saint-Michel en de kust. Zand, half begroeid met groen, en bezaaid met groepen wandelaars die achter gidsen aansloffen.

Soms vraagt ze zich af wat voor oord de Mont-Saint-Michel is geworden. In de zomer gaat Poignant elke dag voor haar souvenirwinkel staan, de laatste in de winkelstraat. Ze hoort passanten zeggen dat „hierboven niks meer is”. Nee, nee, roept ze dan: „Hierna begint het pas. Je kunt niet naar Mont-Saint-Michel gaan zonder het klooster te bezoeken!” Slechts een derde van de bezoekers volgt het advies op. De mensen komen voor het plaatje.

In de geleidelijke vormgeving van Frankrijk als immens openluchtmuseum voor mondiaal massatoerisme is de Mont-Saint-Michel een speciale frontlinie. Niet alleen zijn geloof en toerisme hier nog net wat hechter vervlochten dan elders in het land. In het klooster op de top – achttien monumentale middeleeuwse etages hoog – huizen nog altijd twaalf monniken en nonnen, die pelgrims ontvangen.

De grens van de toeristische overbelasting is hier zo langzamerhand bereikt. Het aantal toeristen stagneert al jaren: er is wel meer vraag, maar er kunnen niet meer mensen bij. De omgeving bepaalt de grenzen: de baai is afgesneden van treinverkeer, de rots rijst pardoes op, enkele tientallen meters voor een polderlandschap waar duizenden schapen lopen. De polders zijn in de negentiende eeuw door de Hollandse firma Mosselman drooggemalen.

Het project dat Beaulaincourt leidt is in feite een poging van de verzamelde Franse lokale, regionale en landelijke overheden om de grenzen van de Mont-Saint-Michel op te rekken. De parkeerplaats verhuist 2,5 kilometer landinwaarts. De dijk wordt vervangen door een wandelbrug met parallelbaan voor een pendelbus, ziekenwagen, brandweer en de 22 laatste bewoners van de Mont.

Meer toeristen trekken is „geen doel”, zegt Beaulaincourt. Maar als alle fasen van het project in 2015 af zijn is de Mont-Saint-Michel wel een grotere site geworden: van 2,5 naar 4 vierkante kilometer. Er kunnen naar zijn schatting straks 5 tot 6 miljoen toeristen terecht, en die kunnen langer zoet zijn dan nu.

Beaulaincourt ziet de toeristen het liefst over de nieuwe brug naar de rots wandelen – „want om de Mont-Saint-Michel te bereiken moet je een zekere inspanning doen, net als de pelgrims vroeger”. Voor minder actieve toeristen komt er ook een pendelbus, die over de brug rijdt.

Het aanzicht van de Mont-Saint-Michel moet weer spectaculair worden. De nieuwe stuwdam bij de monding van het riviertje de Couesnon zorgt ervoor dat de zee straks op zijn terugtocht na de vloed zijn zand weer meeneemt, zodat de verzanding van de baai wordt geremd. Op de stuwdam in de Couesnon komt een balkon voor toeristen met camera.

Ze zullen vaker water zien: door de regulering via de stuwdam is het straks geen vijftig, maar 150 keer per jaar vloed. Vooral in voorjaar en najaar stroomt de baai straks vaker vol. „Zo kunnen we het toerisme beter spreiden”, hoopt Beaulaincourt. Hij droomt dat de Mont-Saint-Michel door een betere organisatie ruimte en rust krijgt om uit te groeien tot een „Europees centrum voor religie”, met intellectueel en confessioneel debat.

Op de Mont-Saint-Michel vrezen winkeliers vooral dat de nieuwe inrichting ervoor zal zorgen dat minder mensen binnen de muren van het dorp komen, vertelt Noëlle Poignant. Voor haar is de ecologische kant van het project – meer zee – belangrijker. Dat houdt de Mont-Saint-Michel authentiek, vindt ze.

Gids François Saint-James protesteert. „De loopbrug creëert de illusie van een eiland. De mensen willen water zien, al is het minder dan een meter diep.” Saint-James’ grote hoop is dat de Mont-Saint-Michel een massale wandelbestemming wordt, zoals Santiago de Compostella in Spanje. Hij heeft een vereniging opgericht om de pelgrimroutes door Normandië nieuw leven in te blazen. Net als Beaulaincourt, de priesters en de lokale overheden zou Saint-James het liefst zien dat Mont-Saint-Michel een sterker imago krijgt als bestemming voor relitoerisme.

Net boven de plaats waar volgens de zomertoeristen het ‘niets’ zonder winkeltjes begint, en net onder het klooster, zit pater Alain Fournier over ‘zijn’ Mont-Saint-Michel te peinzen. Hij heeft er 25 jaar in het klooster gewoond, en zit nu zeven jaar ‘beneden’, sinds zijn Benedictijnse orde te klein werd om het vol te houden.

„De Mont-Saint-Michel is géén heilige berg”, zegt hij. „Want het christelijke geloof kent geen natuurcultus.” Van „herstel van de spirituele rol” van de Mont-Saint-Michel wil hij niet weten. Die rol is er „altijd geweest”. En een parkeerplaats verderop is wel een goed idee, maar niet als het tarief zo hoog wordt dat de Mont-Saint-Michel zijn bestemming als katholiek pelgrimsoord verliest.

Het is de grote vrees van priester Fournier: dat de Mont-Saint-Michel straks wel weer zee heeft, maar door al te veel spirituele en toeristische schaalvergroting geen (katholieke) ziel meer.