Ieder gesprek een mijnenveld

De Syrische dictatuur profiteert van de chaos in de regio. De roep om vrijheid wordt gesmoord met meer consumptie. Weerzien met het Cuba van de Arabische wereld.

Mein Kampf in Arabische vertaling.

‘Dat wordt dan 350 Syrische lira.”

„Tafaddul, alstublieft.

Verkoopt deze nog een beetje?”

„Niet enorm. Eens kijken. Ja, zie je wel, eerste druk 1965, en dan pas een tweede in 1995. Maar dit is een heel goede vertaling, van Louis Alhagg. Een Libanees. Je hebt sommige vertalingen, dat wil je niet weten, bar en boos. Wilt u er een tasje omheen?”

En zo mocht schrijver dezes zich voor omgerekend vier euro en 35 cent de ongemakkelijke eigenaar noemen van een Arabische vertaling van Mein Kampf. De titel stond er in het Duits op, plus een hakenkruis en een foto van een intens kijkende Adolf Hitler. Als vertaling van ‘Strijd’ was niet gekozen voor het religieuze Jihad, maar voor het neutrale Kifah. Er zat ook een inleiding van de vertaler bij met als eerste zin: „Adolf Hitler was geen alledaagse man.”

Ik kom graag in Syrië, en als mensen vragen waarom, vertel ik altijd over een aankoop als deze. Waar nu vraagt de boekhandelaar zonder een spoortje ironie of je aan Hitler genoeg hebt, of – van hetzelfde plankje – ook nog Marx, Freud of Churchill wilt aanschaffen?

Gevangenis

Vijf dagen was ik in het land, op een toeristenvisum. Je wordt in Syrië permanent afgeluisterd en dus kon ik geen prominenten, analisten of activisten benaderen voor een journalistiek interview. Wat wel kon, was vijf dagen onbezorgd door de stad stuiteren , de sfeer indrinken en kijken of er iets veranderd was. Journalistieke afspraken waren hoe dan ook moeilijk geweest, want een flink deel van mijn adressenboekje is uitgeweken naar het buitenland, nadat een ander deel in de gevangenis was gegooid.

Dat is in ieder geval veranderd sinds 2002, toen ik er voor het laatst was als correspondent van NRC Handelsblad: niemand gelooft meer in een Damascaanse lente. Nadat Bashar al-Assad in 2000 zijn vader opvolgde, heeft hij de dictatuur gemoderniseerd, niet ontmanteld. En dus zit een oppositiefiguur als Riad Sef in de kerker, waar hij langzaam crepeert aan onbehandelde prostaatkanker. Als Sef een Palestijn of Irakees was en de gevangenis een Israëlische of Amerikaanse, zou links Europa op de achterste benen staan. Maar Sef is Syrisch en dus stof voor de kolom kort op de buitenlandpagina.

In het vliegtuig had ik de knipselmap van de afgelopen jaren doorgenomen en de communis opinio lijkt dat het regime de stormen in de regio wonderbaarlijk knap heeft doorstaan, maar dat op langere termijn de status quo niet te handhaven is. De Syrische beroepsbevolking groeit harder dan de economie, de olie is bijna op en de wapenwedloop met Israël en Turkije heeft het land al decennia geleden verloren.

Tegelijk is de ruimte voor verandering beperkt, met hele en halve burgeroorlogen in Irak, Libanon en Israël, en VN-sancties als straf voor vermeende sabotage van het VN-onderzoek naar de moord op de Libanese premier Hariri.

Voilà, het geopolitieke decor van Syrië anno nu, en ter plaatse kaatsten de echo’s. Het vliegveld had nu een aparte rij met aparte formulieren voor Irakezen. Tot voor kort mochten Arabieren zonder visum naar Syrië komen, maar met misschien wel één miljoen vluchtelingen uit Irak binnen de grenzen is aan dit eerbetoon aan de Arabische Eenheid een eind gemaakt. Stel je voor, binnen drie jaar één miljoen getraumatiseerde vluchtelingen opvangen, met een economie die twintig keer kleiner is dan de Nederlandse.

In vrijwel alle koffiehuizen en restaurants in Damascus stonden de toestellen afgesteld op een nieuwskanaal, meestal Al-Jazeera of Al-Manar van Hezbollah. Je loopt langs een café en vangt „opnieuw bloedige botsi...” op, loopt verder voorbij een flard „zeker vier doden en...”, en gaat zitten in een taxi waar je nog net hoort over „afgebroken spoedoverl...”, voordat de chauffeur de radio uitzet en de meter aan.

Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe de Syrische dictatuur profiteert van de chaos aan haar west-, zuid- en oostgrens. Zoals een van de beroemdste Arabische gezegdes luidt: ‘beter honderd jaar onderdrukking dan één dag anarchie’. Irak is van die stelling nu het bewijs.

McDonald’s

Syrië wordt wel het Cuba van de Arabische wereld genoemd, laatste der Mohikanen in het verzet tegen globalisering Amerikaanse stijl. Het land heeft geen McDonald’s, geen Burger King en geen Coca – maar Uraghit Cola – genoemd naar een Syrische stad van meer dan drieduizend jaar geleden.

Veel gebouwen in de historische oude stad van Damascus ademen net als in Cuba vergane glorie uit, je kunt zien dat ze prachtig zijn geweest, ooit. Verdwenen uit Syrië zijn sinds een paar jaar wel de oude bolides, van die prachtige lange wagens uit de film The Godfather. Decennialang had Syrië één van de hoogste belastingen op de aanschaf van een auto, soms wel 200 procent, en was het aantrekkelijk om zo lang mogelijk dezelfde auto te houden. Maar toen het regime enkele jaren terug onder zeer grote druk kwam te staan, werd het tarief drastisch verlaagd.

Zo’n maatregel wordt wel het Chinese model genoemd: de roep om politieke vrijheid smoren met een uitbreiding van de consumptieve vrijheid. Het is een verlies voor de stad, het verdwijnen van de oude bolides, en minstens zo erg: het wagenpark is zo geëxplodeerd dat het verkeer nu regelmatig muurvast staat.

Als ik weer eens in een Arabisch land kom, ga ik altijd onwillekeurig tellen: zijn er meer hoofddoeken dan voorheen, meer bedelaars? Ik kon het niet met zekerheid zeggen, maar het waren er zeker niet minder geworden.

Vrijwel iedere Syriër lijkt de afgelopen zes jaar een mobiele telefoon te hebben gekregen, wat een feest moet zijn voor de geheime dienst: ze kunnen van iedere abonnee precies bijhouden waar die is, met wie die praat en waarover... Straks gaat iedereen via internet tv kijken en kunnen ze dus ook precies bijhouden wat mensen zien.

In 2002 verscheen nog wel eens een betoog dat de ICT-revolutie in de Arabische wereld een golf van democratisering zou creëren. Misschien, maar vooralsnog lijken de dictaturen ook goed overweg te kunnen met de nieuwe technologie. En wat zou Al-Qaida zijn zonder satelliettelevisie als podium en internet als virtueel trainingskamp?

Tegelijk is de 21ste eeuw in Damascus’ oude stad verrukkelijk ver weg. Nog steeds zitten daar de beroepen bij elkaar in één straat. De zeepmakers, de specerijenhandelaars, de naaiers, de broodbakkers. Zo’n gildestructuur is vast inefficiënt en een rem op gezonde concurrentie, aan de andere kant van de balans staat voor een Westerling moeilijk voor te stellen harmonie en cohesie – althans zo oogt het.

Lopend langs zo’n rij broodbakkers wordt begrijpelijk waarom er veel verzet is tegen vrede met Israël en het Westen, en het openen van de Syrische markt: met hun kapitaal, knowhow en superieure marketingtechnieken zullen buitenlandse bedrijven deze kleine zelfstandigen wegblazen.

Sancties

Bij mijn vorige bezoek, in 2002, zuchtte Irak nog onder sancties, omdat het niet langer wilde meewerken aan wapeninspecties (volgens Bagdad waren de massavernietigingswapens allang ontmanteld, waar haalden ze het vandaan?). Nu zijn de sancties opgeheven en is het kantoor van Iraqi Airways in Damascus weer open.

Er zijn ook tal van luchtvaartmaatschappijen bijgekomen, vooral uit de Golf, waar de gestegen olieprijs tot een krankzinnige boom heeft geleid. Je merkt het ook aan de zichtbaarheid van de Arabische Golf in de reclame, in de kiosken en op tv, waar muziek uit die regio steeds prominenter wordt.

Syrië wordt vaak beschreven als ‘anti-westers’, waarbij die term meteen wordt verward met fundamentalistisch. Dat is onzin, want de belangrijkste oppositie van het regime zijn juist de fundamentalisten, of zoals ze zichzelf noemen: de religieuze trend. Feit is dat alcohol in Syrië nog steeds in alle openheid aan de straat wordt verkocht, en er zijn nog steeds bioscopen met net niet-vunzige films uit het Westen met titels als Just married. Die zullen wel verdwijnen als de internetpenetratie, zoals dat nu eenmaal heet, toeneemt en mensen thuis aan hun gerief kunnen komen.

Roken is nog steeds overal toegestaan, in koffiehuizen zitten alleen kerels en westerse toeristen, en staatskranten openen nog steeds met koppen als „illegale regering Libanon schuld van crisis”.

Opvallend was de religieuze retoriek. Tot voor kort voerde het Syrische regime een streng seculiere agenda. Het briefje van 500 pond toont bijvoorbeeld een stuwdam en een geavanceerde landbouwmachine, met aan de andere kant ruïnes uit de Oudheid. Het biljet van 100 pond heeft een Romeins amfitheater, en een trein, station en een snelweg met rotonde. Op het 50-pondbiljet zie je studerende kinderen en een voetbalstadium, en de historische citadel van Aleppo.

De subtekst was duidelijk: dit regime legitimeerde zichzelf met infrastructurele projecten, en herleidde de nationale identiteit terug op een divers erfgoed. Romeins, Grieks, Arabisch, christelijk en moslim – een spiegel van de multi-religieuze en multi-ethnische mozaïek die Syrië, net als Irak, nog altijd is.

Maar nu is religie prominenter dan ooit. Er staan niet alleen propagandaborden van de leider met de tekst, zowel in het Engels als in het Arabisch: „Ik geloof in Syrië”, maar ook teksten als: „Moge Allah Syrië beschermen”. Er zijn veel meer Iraanse winkels met religieuze teksten en parafernalia, zowel in het Farsi als in het Arabisch. En tegenover de belangrijkste ingang van de oude stad zit nu een winkel met Koranbandjes, met de wel erg letterlijk uit het Arabisch vertaalde naam The International for Service to the Quran Karim.

Wat is het populairste bandje hier, vroeg ik, en de mannen wezen naar een bandje met Koranvoordrachten. Geen interpretatie, maar gewoon voordracht. Opvallend aan de foto van de Saoedische voorlezer was dat hij zich had uitgedost als een fundamentalist, met de typerende eenvoudige kleding, stuurse blik en de slordige baard. Is de populariteit van juist deze man significant in een land waar lidmaatschap van de fundamentalistische Moslimbroederschap wordt bestraft met de dood?

Het blijft gissen. Ik ging een paar boekhandels binnen met de vraag wat het best verkocht, en overal trof ik dezelfde mengeling van beleefdheid, nieuwsgierigheid en angst: waarom zou die Westerling dat willen weten? Is hij een spion? Is hij een provocateur van de geheime dienst, op zoek naar iemand die hij tegen beloning kan verlinken? Zo kwam het althans op mij over, maar bij angst geldt dat hoe banger mensen zijn, hoe meer ze hun best zullen doen ook die angst te verbergen.

Mijnenveld

Het blijft het belangrijkste verhaal over Syrië: deze mensen leven nog altijd in een systeem waar tot negentien jaar geleden de Polen, Tsjechen, Hongaren en andere Oost-Europeanen onder zuchtten. Ieder gespreksonderwerp is daarbij een mijnenveld. Het weer kan worden opgevat als metafoor voor het landsbestuur, voetbalclubs zijn verbonden met elementen in het regime of opstandige regio’s.

En de situatie in Libanon is helemaal taboe: de halve burgeroorlog daar ging onder meer over de vraag of het land verder moet samenwerken met een VN-tribunaal over de moordaanslag op Hariri. Veel vingers wijzen Damascus aan als dader, en de bondgenoot van Syrië, Hezbollah, is in Libanon de partij die zo’n tribunaal probeert te saboteren.

In zo’n klimaat is het Kremlin-watchen op z’n Arabisch – naar het gebruik tijdens de Koude Oorlog om uit de compositie van staatsieportretten van het Kremlin allerlei politieke ontwikkelingen af te leiden. Op die manier was opvallend dat naast dictator Bashar al-Assad nog een andere leider veelvuldig op posters te zien was, soms zelfs in één frame met de Leider: Hassan Nasrallah van Hezbollah.

Hoezeer het oppassen is om daar iets uit af te leiden, merkte ik in de Oude Stad. Ik liep langs een winkeltje met in de etalage een poster van Nasrallah, een afbeelding van explosies, de tekst „we vechten voor jullie”, en dan twee foto’s van... blanke kinderen!

„Wat is dat nou”, vroeg ik de verkoper. „Vecht Hezbollah voor westerse kinderen?”

„Ha,ha, nee, die twee blanke kinderen heb ik er zelf op gefotoshopt.”

„Je hebt zelf zitten klussen?!”

„Tijdens de oorlog van 2006 tussen Hezbollah en Israël verkocht het als een gek, honderden per dag. Nu nog een stuk of tien per week.”

„Dit zijn dus geen posters die je van Hezbollah krijgt en doorverkoopt?”

Hij schudde grinnikend van ‘nee’ en bij het afrekenen zag ik dat hij ook voetbalplaatjes van Barcelona en Manchester United verkocht, illegale cd’s van Eminem en Bon Jovi, en Hezbollah dvd’s vol reportages van de meest succesvolle en bloedige operaties tegen Israëlische soldaten, een soort oorlogsporno.

„Speel je Spider solitaire?”, wees ik naar zijn computer.

„Ken je het? Speel je ook met vier kleuren? Anders is het te makkelijk.”

Verrassend was dat internet maar zeer ten dele wordt gecensureerd. Anders dan voorheen zijn BBC en CNN, Human Rights Watch en Amnesty International gewoon bereikbaar. Maar YouTube is dat niet, misschien op morele gronden, maar misschien ook omdat Egyptische bloggers het regime in grote verlegenheid hebben gebracht door clandestien gefilmde martelingen op het net te zetten.

Wel weer heerlijk: in het internetcafé waar ik vroeg of YouTube inderdaad verboden was, haalde de webmaster verveeld zijn schouders op, tikte het adres van een Aziatische proxy-server in en hupsakee: YouTube. Zo ging dat zes jaar geleden precies zo, toen hotmail nog verboden was.

Anders nog iets? Ik was weer helemaal vergeten dat Arabische vrouwen natuurlijk net als hun westerse zusters graag glossy’s lezen. Kiosken vol, bijvoorbeeld het blad Zahra, bloem, uit de Golf. De voorpagina van het meinummer probeert lezeressen te lokken met een bloedmooie ster genaamd Nahi Nibiek die haar concurrente Aida Almanihali beschuldigt van ‘arrogantie’. Verder in dit nummer: „Het huwelijk: gratis advies dat niemand ter harte neemt” en „de tentoonstelling met kunst helpen wij, Abu Dabi stelt de kunst in dienst van de mensheid”. De achterzijde is gewijd aan het programma Soeber Star, een soort X-factor, met een analyse door ene Abdallah Alqa’ud van het stempatroon van de deelnemers.

Of anders het blad Shabab Da'im Ever Young, met op de voorkant:

„Het geheugen... Hoe houd je het vast? Een dossier.”

„Voor alle zekerheid... sporten!”

„Voedselrisico: koolzuurhoudende dranken.”

„Valentijnsdag: cadeaus en style.”

„Hoe kun je meer van je echtgenoot houden?”

Dan is het vier uur ’s ochtends en sta ik op Assad International Airport 2,5 uur in vijf verschillende rijen. Wat stom, want zo’n check-in from hell is het laatste wat je van een land meekrijgt – en dus onthoudt. Er was nergens een boekhandel of tijdschriftenkiosk, en bij de paspoortencontrole zag de douanier dat ik uit Nederland kwam:

„Hulanda? Dan moet je exit tax betalen. Tweehonderd Syrische lira.”

Zonder enige gene stopte hij het geld in zijn vestzakje, en even later maakte het vliegtuig zich los van de grond en voelde ik onwillekeurig opluchting: ik ga weer terug naar een land waar ik rechten heb, waar de politie niet zomaar mensen kan laten verdwijnen.

Tegelijkertijd is de vraag: wat te doen met mijn exemplaar van Mein Kampf? In Nederland is dat boek verboden, omdat de elite bang is voor wat Hitlers teksten bij kritisch minder onderlegde geesten op gang kunnen brengen – precies de redenatie waarmee fundamentalisten hun censuur rechtvaardigen: niet alle teksten zijn geschikt voor alle mensen, en de voordelen van volledig vrije uitwisseling van gedachten wegen niet op tegen de nadelen.

Maar het blijft raar. Aan de ene kant wordt de Syrische dictatuur zwaar bekritiseerd, omdat allerlei boeken niet of alleen in ernstig gekuiste vorm verkrijgbaar zijn. Aan de andere kant wordt de Syrische dictatuur bekritiseerd, omdat de censuur juist niet ver genoeg gaat: Mein Kampf is daar gewoon op iedere hoek van de straat te koop!

Het lag zelfs in de etalage.