De gymnasia groeien omdat ze klein zijn

Veel gymnasia kunnen de toeloop van leerlingen niet meer aan. In de jaren 60 en 90 zouden ze verdwijnen, maar nu zijn ze groter dan ooit. Hoe komt dat?

Op het schoolplein van het uit rode baksteen opgetrokken gebouw van het Stedelijk Gymnasium Leiden staan witte noodlokalen. Geconcentreerde koppies buigen zich er over een proefwerk. „Ons tuinpaviljoen”, zegt rector Annemarie Thomassen over de tijdelijke voorziening. Het Stedelijk telt 1.550 leerlingen. Die passen al jaren niet meer in het hoofdgebouw.

De uitpuilende school in Leiden staat niet op zichzelf. Tussen 1999 en 2006 nam het aantal gymnasiasten met 63 procent toe, van 17.460 naar 28.530. In een aantal steden kunnen zelfstandige gymnasia de toeloop van leerlingen niet meer aan. In Haarlem verloren ouders een kort geding dat ze hadden aangespannen om hun uitgelote zoon toch geplaatst te krijgen op het gymnasium.

Het Stedelijk in Leiden verwelkomt gemiddeld 280 nieuwe leerlingen per jaar. De school laat elk kind toe, mits het aan de eisen voldoet. Loting zou „desastreus” zijn, zegt Thomassen. „Principieel willen wij geen leerlingen weigeren.” Volgend jaar krijgt de school een dependance. Dan kan het hoofdgebouw weer ademen. De noodlokalen kunnen weg.

Het is een wonder dat de zelfstandige gymnasia nog bestaan. Decennialang woedde er een discussie over hun bestaansrecht. In de jaren zestig zou het gymnasium opgaan in de structuur van mavo, havo en vwo. Dat gebeurde niet. In de jaren negentig zouden gymnasia fuseren tot scholengemeenschappen. Gebeurde ook niet.

Volgens socioloog Don Weenink van de Wageningen Universiteit benadrukken voorvechters van het zelfstandige gymnasium dat het schooltype „in de decennia na de Mammoetwet van 1968 op het nippertje werd gered uit de klauwen van sociaal-democratische onderwijshervormers”. Hoewel er toen inderdaad gymnasia verdwenen, zegt Weenink, dankt het gymnasium zijn sterke concurrentiepositie van nu uiteindelijk toch aan het onderwijsbeleid.

De grotere keuzevrijheid op scholengemeenschappen zou ouders en kinderen trekken, dacht de politiek. Toch kozen ouders in toenemende mate voor een kleine school. Lange tijd probeerden politici tegen deze wens van de ouders in te gaan. Gymnasia zouden witte, elitaire bastions zijn. „Maar de ouders hebben gewonnen”, zegt Weenink.

Nu is het gymnasium niet meer zo controversieel in de politiek. Het bestaansrecht van dit schooltype staat niet langer ter discussie, kritische geluiden over segregatie daargelaten. Witte bastions zijn het nog steeds, al neemt het aantal allochtone leerlingen mondjesmaat toe.

Maar hoe komt het nou, die grote toeloop? Betekent de stijging van het aantal gymnasiasten dat scholieren slimmer worden?

Eerst maar eens het hele voortgezet onderwijs bekijken. Uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) blijkt dat het totale aantal leerlingen op middelbare scholen tussen 1999 en 2006 is gestegen met 6 procent. Behalve het gymnasium stijgen ook het vwo en het havo boven deze trend uit: beide schooltypes groeiden met 15 procent. Het vmbo blijft daar sterk bij achter, met een groei van 2 procent.

Het gemiddelde opleidingsniveau is dus hoger komen te liggen. Volgens onderzoekster Chantal Melser van het CBS illustreert deze toename de stijging van het opleidingsniveau van de hele bevolking. Voor een klein deel is de stijging ook te verklaren doordat het „stapelen” van diploma’s weer is toegenomen, nadat dit in de jaren negentig bijna taboe was verklaard. Dit houdt in dat meer havisten na het behalen van hun diploma doorleren op het vwo.

Het staat dus vast dat leerlingen gemiddeld hogere diploma’s halen. Maar dat sluit nog niet uit dat de waarde daarvan is gedaald.

Onderwijssociologen hebben laten zien dat diploma’s minder waard zijn geworden, zegt Weenink. „De meeste ouders willen niet dat hun kinderen het slechter hebben dan zij.” Thomassen zegt dat er voor kinderen tegenwoordig „veel meer informatie beschikbaar is, bijvoorbeeld op internet”. Onderwijssocioloog Sjoerd Karsten van de Universiteit van Amsterdam wijst op het ‘Flynn-effect’, het verschijnsel dat elke generatie hoger scoort op intelligentietesten dan de vorige generatie.

De afgelopen jaren bleek al dat er scherpe onenigheid bestaat over de vraag of het onderwijsniveau is gedaald. Minister Plasterk vindt van wel, zei hij een maand geleden in NRC Handelsblad. De taal- en rekenprestaties zijn afgenomen, en daarmee ook het onderwijspeil.

Naar specifieke oorzaken van de stijging van het aantal gymnasiasten heeft het CBS niet gekeken. Op het Stedelijk in Leiden kan kleinschaligheid het argument niet zijn. Toch blijft schaalgrootte meestal doorslaggevend, zegt onderwijssocioloog Karsten. Niet elk gymnasium is zo groot als het Stedelijk in Leiden. Weenink denkt onder meer dat de al aanwezige kinderen, „rustig en slim”, voor ouders de doorslag geven.

En: gymnasia zijn terughoudend geweest met onderwijsvernieuwingen. Thomassen: „Ook bij ons krijgen leerlingen geen heel uur frontaal en klassikaal les. Maar kennisoverdracht blijft het belangrijkst. Ons onderwijs ontwikkelt zich ook, maar zonder het etiket ‘nieuwe leren’.”

Uiteindelijk merkt ook het Stedelijk in Leiden dat er in Haarlem kinderen zijn uitgeloot. Eén Haarlems kind zal vanaf volgend jaar dagelijks de trein naar Leiden nemen. Rector Thomassen vindt wel een plekje.