De drank en de woordenstorm

Wie staat er voor de rechter en waarom? De dader houdt een lange beschouwing over een in drank gedompeld, betreurenswaardig incident.

Door Rinskje Koelewijn

Johannes M. (66) is een man van plichtplegingen. Zijn woorden lijkt hij deels uit vooroorlogse streekromans te halen, en daarnaast put hij uit vele jaargangen half gelezen bureaucratische correspondentie.

Even draalt hij voor de tafel van de politierechter, tot die hem zijn plaats wijst aan het bankje, als een schooljongen na een opstel. De tijd die hij heeft moeten wachten tot zijn zaak aan de beurt was, heeft hij in het geheel niet als vervelend ervaren, kan hij melden. De wachttijd heeft hooguit de woordenstorm die zo zal losbarsten, nog wat aangewakkerd.

Johannes wordt verweten dat hij vorig jaar, op Koninginnedag twee ambulancebroeders heeft beledigd.

Aan dit betreurenswaardige voorval, zegt Johannes, ligt een grote hoeveelheid oorzaken ten grondslag. De rechter hoeft niet te vragen welke.

De zware fase waarin hij toen verkeerde, zegt Johannes, zat hem in het feit dat hij nogal in de schulden zat. Hij heeft werkelijk honger geleden. Stond op rantsoen. En daarenboven had hij het geestelijk ook nog eens heel moeilijk. Met de schulden, en ja, toch ook, dat kan hij niet ontkennen, met de eenzaamheid. De relatiebureaus tot welke hij zich ten einde raad wendde, brachten hem alleen maar klappen en bedrog, waarna hij heeft moeten constateren dat het uiteindelijk allemaal draaide om commercieel gewin.

De rechter is een zeer geduldige vrouw. Ze luistert, met oprechte belangstelling, naar een man die blij is eindelijk een publiek te vinden. Dus vertelt Johannes ook over de vriendschap die hij onlangs heeft gesloten met een Belgisch echtpaar, die zijn hobby deelt met betrekking tot de ijsshows. Net als hij, zijn zij vol van het leven en het plezier daarin. Waarbij hij overigens bijna vergeet te vermelden dat hij kortelings ook bij de pinautomaat is beroofd en neergeslagen en dat hem bij die gelegenheid 400 euro afhandig is gemaakt.

Maar gelukkig is daar de huisarts, eeuwig trouw, veelzijdig en goed gemotiveerd om hem te helpen. Hij neemt altijd een reep chocola voor deze hulpverlener mee, ook omdat ze een hobby delen.

Des te onaangenamer is het dat juist twee vakbroeders, de ambulancebroeders, het hebben moeten ontgelden. Die bewuste Koninginnedag was hij Amsterdam ingegaan, hij voelt zich heerlijk in die drukte. Voor de omschrijving van wat er toen gebeurde, heeft Johannes ineens heel gewone woorden tot zijn beschikking. „Ik was dronken.” Zo dronken, zegt hij, dat hij daarna nooit meer heeft gedronken. Hij kwam thuis, voelde iets bij zijn hart, of longen en heeft toen, in een opwelling, de GGD opgeroepen met het verzoek of ze even naar hem konden komen kijken. De ambulance kwam. Johannes was op de grond gaan liggen. De broeders verklaarden hem gezond en lieten hem achter.

„Toen ben ik opgestaan en dacht: hoe kunnen ze dát nou doen.” En ja, de eerste de beste ambulance die hij toen zag rijden, moest het ontgelden. Maar, zegt hij, gezien het feit dat hij nogal dronken was én de omstandigheid dat hij aan beide handen tassen had met daarin de kostuums en overige kledingstukken die hij had aangeschaft, kan hij zich niet voorstellen dat het tot een handgemeen is gekomen.

Toch wel, zegt de rechter. De spiegel van de ambulance was omgebogen, en hij heeft wat deuken in de zijkant geschopt. Ongelofelijk, zegt Johannes. „Dat wist ik niet.”

Op aanraden van zijn huisarts heeft Johannes de GGD een brief geschreven om „blijk te geven van zijn menselijke fout”. Want hij is keurig en netjes, zegt hij, en als mens, van binnenuit, altijd geneigd zijn afschuw uit te spreken. Zeker als het dit soort misdragingen betreft.

De rechter legt hem 150 euro boete op. Te betalen in drie termijnen. Johannes juicht nog net niet. Hij is, zegt hij, blij dat de rechter zijn eigen oordeel over deze kwestie deelt.