Dansen op het zand

De stranden langs de Zwarte Zeekust van Roemenië en Bulgarije zijn een voordelig alternatief voor de Spaanse costa’s. Tussen Romeinse mozaïeken en massatoerisme.

Als zwartgeschilderde standbeelden staan we op het strand: een handvol blote Roemeense vrouwen – en ik. Het zand brandt aan mijn voetzolen – de enige plek van mijn huid die niet is ingesmeerd met de hopelijk uiterst heilzame en geneeskrachtige modder. In grote emmers is de pikzwarte, rottende blubber opgediept van de bodem van het zoutmeer, waar we straks in springen. Het spul ruikt naar zwavel, maar gretig kletsen we het goedje op onze armen, benen, billen, rug – want het zou toch enig zijn als het spul eindelijk het wondermiddel zou zijn tegen cellulitis, reuma, spierpijn, rimpels, acné en wie weet nog tientallen andere sluimerende kwaaltjes. Terwijl de opgedroogde modder een trekkende, tweede huid vormt, proberen we over het muurtje te gluren naar het strand waar de mannen zich op dezelfde behandeling trakteren.

Het is heerlijk rustig in dit oude badhuis aan het zoutmeer achter de duinen van Eforie-Nord. De kustplaats zelf is een familiestrand waar op deze zoveelste dag van een wekenlange hittegolf families op kleedjes zitten onder parasols, terwijl uit strandcafés onvervalste nineties-housemuziek dreunt. We hebben er even geen zin in vandaag – bovendien valt er vast nog meer te ontdekken aan de sliert kleine vakantiedorpjes aan de Roemeense Zwarte Zeekust met kuuroordnamen als Neptun, Olimp, Jupiter, Aurora, Saturn en Venus.

Een boemeltreintje brengt strandgangers met luchtbedden, koelboxen, verbrande ruggen en zonnehoeden naar de badplaatsjes. Met het hoofd uit het treinraampje is het goed uit te houden tijdens de hete rit – bovendien ruiken we zo onze eigen rotte-eierenlucht niet, die ondanks zorgvuldig douchen na de blubberbehandeling maar niet uit de huid wil verdwijnen.

Langs de rails liggen, zoals op zo veel onbewaakte plekken in Roemenië, bergen zwerfvuil: plastic flesjes, plastic zakjes, blikjes, vuilniszakken. Een jonge Roemeen in de trein denkt dat hij weet waarom zijn landgenoten dol zijn op troep weggooien: „Het geeft een gevoel van vrijheid, dat niemand kan afpakken.” Roemenië neemt wraak op Ceausescu via zwerfafval. Treffend is dit in de grote kustplaats Constanta: op het oog eeuwenoude herenhuizen worden afgewisseld met slooppanden vol lege flessen en zwerfhonden. Het casino in art nouveau-stijl pronkt majesteitelijk aan de boulevard, maar wie van dichtbij een kijkje neemt, ziet de afbladderende verf en de kapotte ruiten.

Terwijl de stad prachtig is. Constanta, vijftien kilometer ten noorden van Eforie, is de oudste stad van Roemenië en werd in 500 voor Christus gesticht als Tomi. Romeinse mozaïeken en resten van badhuizen herinneren aan die periode waarin de havenstad deel uitmaakte van het Romeinse Rijk. Spannend wapenfeit is dat de Romeinse dichter Ovidius door keizer Augustus hier naar toe werd verbannen in het jaar 8 na Christus. De levenslustige societyfiguur die Ovidius was, kwijnde weg in het volgens hem afschuwelijke oord dat door ‘barbaren’ bewoond werd.

Was hij wat later geboren, dan had hij zich goed kunnen vermaken. De acht kilometer strekkende landtong Mamaia, naast Constanta, is het Marbella van Roemenië. Tientallen appartementencomplexen worden afgewisseld met lawaaierige restaurants, snackbars, winkeltjes, een zwemparadijs en een stoeltjeslift die hoog boven de kermisbiotoop zeilt. Mamaia is één groot pretpark en trekt veel jonge, feestende Roemenen, maar ook gezinnen en Duitse en Britse toeristen die afkomen op de spierwitte, brede stranden – en de gunstige tarieven.

Het tegenovergestelde van Mamaia kent Roemenië ook: Vama Veche is de laatste pleisterplaats aan het strand voor de Bulgaarse grens en een taxirit vanuit Mangalia brengt jonge kampeerders naar dit hippie-achtige strand. Yuppen uit Boekarest parkeren hun jeeps in het zand en zetten hun tent op achter het duin. Een tiental kleine gebouwtjes fungeert als hostel, waar de trendy bevolking in hangmat wacht tot de avond valt en er gedanst kan worden op het zand. Langs het zandpad in het minidorpje verkopen rugzaktoeristen hun kettinkjes en kralen uit India.

Ons plan om van het noordelijkste strand aan de Roemeense kust, Mamaia, langs de kust door te reizen tot het zuidelijkste strand van Bulgarije, loopt hier even spaak. Vama Veche is verleidelijk als logische eindbestemming nu geen bus of taxi ons de grens over kan brengen. Toch willen we verder, en ook zo dicht mogelijk langs de zee blijven. Lopen, dan maar. De rugzakken gaan om, de levensgrote opblaaszwemband rollen we over het hete asfalt voor ons uit. De avondzon schijnt over bruine graanvelden als we de Bulgaarse grens over wandelen. Een ferme zwaai naar de douanebeambten bij de slaperige grenspost blijkt voldoende als identificatie en daar zijn we dan: Bulgarije.

Links, in de verte, is nog net een streepje blauw te zien van de Zwarte Zee en misschien natuurstranden – we hebben op de kaart al gezien dat ze onbereikbaar zijn. Auto’s komen trouwens ook al niet langs. De schemering zet bijna in, als een glanzende BMW met kenteken uit Boekarest stopt – een Roemeens echtpaar dat wil gaan dineren in een Bulgaars restaurantje, zet ons tien minuten later af op een kruispunt bij het ‘pittoreske’ havenstadje Balchik.

De volgende dag slingert het minibusje over een hooggelegen kustroute vol vergezichten naar de volgende bestemming: Varna. Onderweg neemt het aantal torenhoge appartementscomplexen toe. Ergens in de diepte ligt het beruchte ‘Golden Sands’ (Zlatni Pyasatsi), een baai die volledig is ingericht met het comfort van massatoerisme. Hier is een kunstmatig dorp uit de grond gestampt met enorme hotels, snackbars, kledingwinkeltjes en speeltuinen waar de vakantieganger voor een eenmalig totaalbedrag zich onbekommerd en onbeperkt kan laven aan ontbijt- lunch- en dinerbuffetten. Uithangborden van restaurants zijn opgesteld in Engels, Duits en Zweeds, voor wie niet vermoeid wil worden met het cyrillische schrift van de Bulgaren.

Varna zelf is een badplaats met veel vergane glorie. De stad is van het strand gescheiden door een groot park met eindeloze wandelweggetjes, waar popcorn- en ballonverkopers goede zaken doen. ’s Nachts is het even verderop grappig flaneren aan zee, langs een lange strook dreunende discotheken en sjiekige terrassen met prosecco drinkende yuppen. Om de couleur locale van het voormalig Oostblok recht te doen, kiezen we in Varna voor een slaapplaats in een fijne communistische blokkendoos. Met handen en voeten praten we met de oude gastvrouw, wat neerkomt op vooral veel naar elkaar glimlachen. De klamme strandhanddoeken hangen we aan de gemeenschappelijke waslijn.

In een touringcar vervolgen we de kustroute richting Burgas, zo’n 100 kilometer naar het zuiden. We passeren een andere bekende strandbestemming: Sunny Beach, oftewel Slanchev Bryag. Hier is de bebouwing allang niet meer beperkt tot de baai met het zonnige strand, maar breiden tientallen appartementencomplexen in aanbouw zich als een olievlek uit. Eén voor één worden akkers bouwrijp gemaakt voor pastelkleurige flatgebouwen voor strandgangers, soms tientallen kilometers landinwaarts. „Een milieuramp, maar het is al te laat. Niks meer aan te doen”, had een dame van het verkeersbureau gezegd.

In Sunny Beach wordt de hoogmoedwaanzin geïllustreerd met een replica van de Eiffeltoren tussen de biertenten. Verveelde toeristen drommen bijeen om op de foto te mogen in achttiende-eeuwse kostuums en kinderen worden versierd met henna-tatoeages. Intussen ligt de stad Burgas, iets zuidelijker, er verlaten bij. Een vervallen reuzenglijbaan wijst op betere tijden en ook het park aan de boulevard kan wel een knipbeurt gebruiken. De witte herenhuizen geven de stad een romantische sfeer – maar het iets verderop gelegen Sozopol moet dit kunnen overtreffen.

Sozopol ligt op een schiereiland en is bebouwd met houten huisjes. Een soort Marken – en dat geldt ook voor het toerisme. Schouder aan schouder schuifelen toeristen in de schemering langs tientallen kraampjes om schelpenbeeldjes en kettingen te kopen. Toch is het toerisme begrijpelijk: er valt werkelijk spectaculair te dineren aan de rotswand met een zonsondergang in zee – die hadden we hier in het oosten al een tijd niet gezien.

Een paar dagen later parkeren we onze rugzakken in het kleine familiebadplaatsje Primorsko. Op een terrasje bladeren we door een strandmagazine met foto’s van stuk voor stuk oogverblindende uitspanningen met hangmatten, zitzakken en loungebanken – en hebben het ineens een beetje gehad. In Primorsko eten we lekker shopskasalade van komkommer, pepertjes en kaas, kopen een duikbril, zonnen op het fijnkorrelige, witte zand en dobberen in het heldere zeewater. Het slenteren gaat goed, de Bulgaarse spion die ons drank blijft aanbieden is gezellig en de shaslik in het straatje van ons appartement smaakt voortreffelijk. Het uiterste zuiden van Bulgarije hebben we niet gehaald. Na alle uitersten van strandverschijnselen in de vorm van massatoerisme, communistenflats en hippiekolonies gaan we nu eens fijn op het strand liggen, op één plek. Uiterst prettig.