Culturele armoede 2

Nogal provocerend vond ik de kop boven de opening van de jongste Wetenschapsbijlage (`Culturele armoede, W&O 21 juni). Tussen het in rood afgedrukte `waarom rechts populisme aanslaat bij laagopgeleide arbeiders` en het extra vette `Culturele Armoede` ontbrak slechts de dubbele punt. Als dat de belangrijkste conclusie is die uit recent sociologisch onderzoek getrokken kan worden, dan kan dat onderzoek niet anders dan ofwel vooringenomen of onvolledig zijn. Vooringenomen lijkt me bijvoorbeeld de stelling dat autoritisme (zie de passage over waardedomeinen) een gevolg is van een lage opleiding. Dat heeft iets van een cirkelredenering: Arbeiders stemmen op partijen met een autoritair karakter, arbeiders zijn laag-opgeleid, dus is autoritisme een indicatie voor een lage opleiding, Quot Erat Demonstrandum. Natuurlijk is dat onzin en stemmen arbeiders gewoon op populistische partijen omdat deze hun belangen op de een of andere manier beter behartigen. Bij de verklaring van de opkomst van het populisme dienen we ons dus af te vragen hoe de belangenverschuiving, die klaarblijkelijk heeft plaatsgevonden, geduid moeten worden. Nu is dat niet zo moeilijk. Alles draait hierbij om immigratie en daarmee samenhangende problemen. Zo heeft de immigratie bijvoorbeeld tot meer concurrentie op de arbeidsmarkt geleid en zijn de voor arbeiders zo belangrijke sociale voorzieningen door de grote instroom onbetaalbaar aan het worden. Dit zijn gewoon concrete belangen en heeft niets met `onderbuikgevoelens` te maken. Om deze, en geen andere reden, stemmen arbeiders populistisch en uitdrukkelijk niet vanwege de signatuur in het andere waardendomein, het sociaal-economische. Hierin zijn populistische partijen vrijwel altijd uiterst rechts, wat niet in het belang van de arbeiders is. Dat is dan ook de keerzijde van hun stemgedrag: Economisch rechts, het neo-liberalisme, profiteert er in belangrijke mate van mee. Het zou best eens zo kunnen zijn dat de grote vlucht die het neoliberalisme de laatste decennia heeft genomen voor een belangrijk deel aan deze onbedoelde en onverdiende steun is te danken. Dit zou te vermijden zijn geweest als het door de schrijver zo genoemde `metaalsocialisme` van de voormalige CPN niet zou zijn uitgestorven. Om verdere afbrokkeling van economisch-links te voorkomen zou dit metaalsocialisme misschien weer in ere moeten worden hersteld.

Curieus is overigens dat hetzelfde patroon in de rest van Europa te zien is. Als absoluut dieptepunt noem ik slechts de herverkiezing van Belusconi. Deze louche politicus heeft zijn macht aan hetzelfde mechanisme te danken.

Tot slot zou ik erop willen wijzen dat de diverse socialistische partijen in Europa nog van alles kunnen doen om het tij te keren. Zo zouden ze bijvoorbeeld hun dédain voor alles wat maar enigszins naar nationalisme zweemt, moeten laten varen. Daarmee kan misschien de verdere opkomst van het gevaarlijke rechts-populisme worden beteugeld.