Culturele armoede

Bij de analyses in het artikel over de culturele armoede heb ik twee factoren gemist die een rol gespeeld kunnen hebben bij de ruk naar links van de studenten en hoger opgeleiden, en naar populistisch rechts” van de traditionele linkse stemmers: de gewone man” (`Culturele armoede`, W&O 21 juni). In de jaren `50 had Nederland zich duidelijk gewend tot een intens brave kleinburgerlijkheid; van de socialistische culturele idealen van ontwikkeling en vrijheidsbeleving was niets meer over. Einde jaren `50 gingen voor het eerst de kinderen van de middengroepen en van de arbeiders naar het hoger beroeps- en het wetenschappelijk onderwijs. Daar maakten zij kennis met de theorieën van het socialisme, die zij aanhingen met de overdreven ijver van de bekeerling. Wanneer hun vaders in de fabrieken staakten, kwamen zij bevoogdend vormingstoneel” vertonen dat de arbeiders inzicht moest geven in hun eigen situaatsie”.

De traditioneel linkse stemmers herkenden zich niet meer in deze quasi-intellectuele beweging die ook in de linkse partijen woedde, en wendden zich daarvan af. De komst van grote aantallen vreemdelingen en het niet-thuisgeven van de linkse partijen voor hun reële problemen daarmee, vervreemdde hen nog verder en zij werden politiek dakloos. Pas bij de komst van de LPF, Wilders en Verdonk leek er weer een tehuis” te zijn voor hun heimwee naar de geordende, brave en kleinburgerlijke wereld van de jaren `50.