Crisis

Terwijl de spelers hun vertrouwen in de kunst van het geld maken verliezen, beginnen de vreugdevuren van het kapitalisme te doven. The bonfires of capitalism start to burn out as players lose faith in the art of making money. In het Engels klinkt het beter. Of mijn vertaling is niet goed genoeg. Het is een kop op pagina 13 van de International Herald Tribune, afgelopen woensdag. Ernaast staat een groot portret van Tom Wolfe. De nu 77-jarige schrijver van The Bonfire of the Vanities ziet er monter uit. Hij draagt zoals gebruikelijk zijn witte pak, hij heeft een sardonisch glimlachje, hij kijkt een beetje spottend recht in de lens. Hem kunnen ze niets wijsmaken.

Zijn beroemde roman is verschenen in 1986. De held, Sherman McCoy, genie van Wall Street, Master of the Universe, woont met zijn vrouw Judy in een 12-kamerappartement aan de Upper East Side, de duurste buurt van Manhattan. Met zijn vriendin Maria op weg naar Kennedy Airport neemt hij een verkeerde afslag, komt terecht in The Bronx, wordt overvallen en dan begint de ellende. Het verhaal speelt zich af in de gouden jaren tachtig, toen een jonge beursspeculant niet in de jetset kon verschijnen als hij niet een miljoen per jaar maakte.

Manhattan was de beste stad ter wereld. Nu nog vind ik, maar anders. Toen kon je voor 99 dollar enkele reis met de People Express van Zaventem naar Newark vliegen. In New York had je nog echte ouderwetse gangsters, de Gotti Family, met de gevreesde Sammy – the Bull – Gravano. Ik herinner me een openbare afrekening, voor het New York Steakhouse, waar de heren graag dineerden. Op straat lagen, zaten en liepen de daklozen. Ze aten in de soup kitchens die door de barmhartige kerken waren opgericht. Arme mensen kregen food stamps, voedselbonnen. In de subway, ’s avonds laat, liep je een redelijke kans, beroofd te worden. Ed Koch, een vriendelijke Democraat, was de burgemeester. Hij is opgevolgd door Rudy Giuliani die de uitdrukking zero tolerance heeft uitgevonden. Tot zover deze vleugjes lichte melancholie. Vreugdevuur der ijdelheden is een spannende zedenroman. Wie wil weten hoe het een kwart eeuw geleden daar was, moet dat boek lezen.

Bijna een jaar geleden was Tom Wolfe weer eens in de grote zaal van de New York Stock Exchange, Wall Street. Er heerste opwinding. Vraag me niet waarom; ik heb geen verstand van wat daar gebeurt. Een televisieverslaggever vroeg hem wat hij ervan dacht. „Misschien zien we hier het einde van het kapitalisme zoals wij dat kennen”, zei hij. Intussen is de Amerikaanse huizenmarkt ingestort, blijft de brandstofprijs stijgen, wordt alles duurder, verliezen meer mensen hun baan en daalt het vertrouwen van de consument in de economie. Is er een crisis in aantocht? Zitten we er eigenlijk al middenin en houden we ons alleen overeind met de illusie dat het zo’n vaart niet zal lopen?

Op de beurskrach van 28 oktober 1929, Zwarte Donderdag, volgde de depressie van de jaren dertig. Daar kan ik me nog wel iets van herinneren. Drommen werklozen voor het stempellokaal aan de Voorschoterlaan in Rotterdam. Daar kregen ze hun steun die nu uitkering wordt genoemd. ‘Bei mir bist du schön, we trekken van de steun, en we eten van het Crisis Comitee.’ Variant op het jiddische liedje dat door de Andrew Sisters wereldberoemd is geworden. Dat was in 1937. YouTube heeft het, en het is aandoenlijk mooi gebleven.

Nog meer drommen werklozen aan het Vredenoordplein, voor het gebouw van de socialistische krant De Voorwaarts, waar aan de gevel grote schoolborden hingen. Het nieuws was er met krijt opgeschreven. Bij het bombardement van 14 mei 1940 is die buurt verwoest. Bedelaars en marskramers aan de deur. Deze kleine kooplui hadden koffertjes met garen en band en gereedschap dat niemand nodig had. Eerst zetten ze het koffertje op de stoep, deden het open en dan belden ze aan. ‘Nee, we hebben niets nodig.’ Moedeloos sjokten ze verder.

En nu? In de tijden van de goedkope benzine zijn duizenden en duizenden Amerikanen van de stad naar de buitengebieden, suburbia verhuisd. Om te werken rijden ze naar de stad; voor hun boodschappen naar de supermarktgebieden. Voor de Tweede Wereldoorlog waren ze al een rijdend volk; de afgelopen halve eeuw is Amerika een totaal gemotoriseerde natie geworden. Dat is door de hypotheekcrisis en de hoge brandstofprijs snel aan het veranderen. In de jaren zestig en zeventig veranderden delen van de binnensteden in gevaarlijke achterbuurten. Nu waarschuwen stedebouwkundigen tegen de mogelijkheid dat er buitenwijkachterbuurten zullen ontstaan.

Bij ons in Europa gaat het tot dusver een beetje beter, maar van de hoge benzineprijs, de stijging van de kosten van levensonderhoud worden we ook steeds knorriger. Iedere tijd heeft zijn eigen vorm van crisis. Zelfs vergeleken met een paar decennia geleden leven we nog altijd in een geweldige luxe, in een cultuur van televisie, fun en voetbal. Maar ons vertrouwen in de zittende machten is aangetast. Geen mens die nog gelooft dat na het zuur het zoet komt. Die op zichzelf al infantiel geformuleerde belofte wil er niet meer in.