Bèta aan de basis

Marieke van Twillert

Onderwijsprofessor Mark Hackling: “We hebben allemaal hetzelfde probleem in het Westen, kinderen vinden natuurwetenschap niet interessant. Kinderen in ontwikkelingslanden wél.” freddy rikken 19/6/2008 Foto Freddy Rikken Prof. Marc Hackling Australie Rikken, Freddy

Kinderen kunnen niet jong genoeg in aanraking gebracht worden met natuurwetenschappen, zegt Mark Hackling, hoogleraar onderwijskunde aan de Edith Cowan Universiteit in Perth, Australië. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar les in wat in het Engelse taalgebied science heet: scheikunde, natuurkunde en biologie (anders dan in Nederland ontbreekt wiskunde in dit rijtje exacte vakken).

Hackling vertelde vorige week op de Onderwijs Research Dagen in Eindhoven over het project dat hij mede organiseerde om science-onderwijs op Australische basisscholen te verbeteren – onder meer door leraren bij te scholen. Inmiddels nemen honderden scholen deel aan ‘Primary Connections’, in alle acht staten van Australië, terwijl in Queensland en West-Australië álle basisscholen werken met het curriculum.

Ter vergelijking: Nederland heeft geen curriculum of verplicht aantal uren wetenschap en techniek vastgesteld voor basisscholen. Er zijn kerndoelen vastgesteld, maar die zijn ruim. Hoe scholen die invullen, kan enorm verschillen.

Hoe erg was het gesteld met de prestaties op bètagebied van Australische schoolkinderen?

“Die waren zo slecht nog niet. Australische leerlingen scoorden bovengemiddeld in internationaal vergelijkend onderzoek. Maar de overheid maakt zich toch zorgen, want de omringende landen doen het allemaal beter. Singapore, Taiwan, Hong-Kong en Japan, zijn onze handelsconcurrenten. Australië streeft ernaar een kenniseconomie te zijn en daarvoor heb je veel werknemers nodig met een bèta-achtergrond.”

Net als in Nederland.

“We hebben allemaal hetzelfde probleem in het Westen, kinderen vinden natuurwetenschap niet interessant. En kinderen in ontwikkelingslanden wél. Zij beschouwen science als een manier om aan de toekomst te werken, van zichzelf en dat van hun land. Ze weten dat ze daarmee een baan kunnen krijgen. In Australië is science niet in, het is té vertrouwd. Het boeit niet langer.”

Wat is het belangrijkste punt van uw onderwijsprogramma?

“De erkenning van het probleem dat juist de onderwijzers grote moeite hebben om les te geven in de harde vakken, omdat ze de natuurwetenschappen zelf zo moeilijk vonden. Ze waren onzeker en soms echt wanhopig. Daardoor vermeden ze het lesgeven in science. Ze besteedden er gemiddeld 41 minuten per week aan. Dat is 3 procent van de lestijd. Het gevolg: minder dan 60 procent van de groep-zesleerlingen haalde in 2003 een voldoende in een landelijke test om de kennis van science te meten.”

Wat is de beste leeftijd om kinderen in contact te brengen met natuurwetenschappen?

“Ik denk dat je op een zo jong mogelijke leeftijd moet beginnen om natuurverschijnselen te leren waarnemen. Als kinderen over planten beginnen, moeten ze met zaadjes aan de slag gaan. Laat ze die zelf ontkiemen, zien groeien en weer afsterven. Om de cirkel van het leven mee te maken en om hen te laten onderzoeken onder welke omstandigheden de plant het beste groeit. Het gaat erom dat ze het zélf onderzoeken. Dat hebben we ook gedaan met ons project met kinderen van negen en tien jaar, gedurende één les per week, twee en een halve maand lang. Het gaat niet zozeer om het onderwerp, maar om de benadering en de beleving.”

Het klinkt zo simpel.

“Dat zijn goede dingen meestal. Onze methode werkt omdat we workshops voor docenten hebben gecombineerd met een speciaal curriculum om de leraren te ondersteunen. We hebben 500 experts getraind die scholen bezoeken om daar met de leraren samen te werken. Dat helpt hen en verbetert hun lesgeven.”

Wat zijn de effecten na vijf jaar ‘Primary Connections’?

“De workshops en curricula hebben leraren zelfverzekerder gemaakt. Als gevolg daarvan nemen ze meer natuurwetenschappen op in hun lesprogramma. Maar het gaat uiteindelijk om de kinderen en we zien een toename in begrip en toepassing van de kennis. Leerlingen in dit programma doen het significant beter in science dan kinderen werken met een ander onderwijsprogramma. Ze zeggen dat ze interessante dingen hebben geleerd en je ziet dat ze nieuwsgierig zijn. En dat willen we.”