Alleen verrijzen

De onlangs overleden schrijver Kees Fens was ook dichter.

De dagen na het overlijden van Kees Fens schreven wel zes columnisten in de Volkskrant dat Fens hen wel eens opbelde. De indruk ontstond dat niet slechts onze „grootste en diepste lezer” (Willem-Jan Otten) maar ook een Groot Beller ons was ontvallen. Bert Wagendorp schreef zelfs dat Fens hem soms belde om hem te complimenteren met een mooie zin in de krant. Goh: Fens was nog niet begraven of iemand maakte al van zijn overlijden gebruik om zichzelf een pluim te geven.

Zelf gebruikte de overledene het woord ‘ik’ uitsluitend als de sierlijke aanloop naar een observatie of een idee over de wereld, de dingen, de Ander, de kunst. Dat lijkt een klein verschil, maar het tekent Fens’ stijl, mentaliteit, poëtica en ambitie.

Slechts een enkeling in de Volkskrant lukte het in zijn salut aan Fens ook in de geest van de overledene te formuleren. Recensent Arjan Peters memoreerde de ervaring „dat er nog veel te leren viel”, niet alleen door te lezen, maar ook door goed om je heen te kijken of door bepaalde momenten en details naar waarde te schatten. Peters: „Die hogere eenvoud heb ik nog altijd niet geleerd, en het moment waarop ik ben uitgeleerd is zelfs voorgoed uitgesteld met de dood van Fens (...)”. Verderop noteert Peters, redacteur van het boekenkatern van de Volkskrant: „Vorige week vroegen we hem of hij wilde schrijven over de briefwisseling tussen Kloos en Verweij. ‘Heel graag!’ riep hij uit.”

Dit telefoongesprek illustreert, in tegenstelling tot de telefonades met de columnisten, het verlies dat Fens’ dood betekent. Vanaf nu zullen er boeken verschijnen die onwillekeurig omkranst zullen zijn door een ring van droefheid en vergeefsheid zodra je bedenkt dat ze niet meer door Kees Fens gelezen zullen worden. Dat is erg, voor die boeken, en voor ons, want sommige boeken – biografieën, neerlandistiek-studies, herdrukte poëzie van dode dichters – kwamen voor veel lezers tot leven doordat Fens erover schreef.

Het boekenkatern van de Volkskrant presenteerde vorige week een bloemlezing uit Fens’ talrijke mooie zinnen en passages die, zo stond het in het katern, vaak de kracht hadden van een aforisme. Voorzover ik kon nagaan bleef die bloemlezing beperkt tot juweeltjes uit die krant zélf. Dat is jammer, want de allermooiste zinnen maakte Fens wat mij betreft in de stukken die hij jarenlang onder het pseudoniem A.L. Boom in het toenmalige weekblad De Tijd schreef. Als A.L. Boom publiceerde Fens twee boeken, De eenzame schaatser (1978) en Mijnheer en mevrouw Aluin en andere tussenteksten (1981). Dat ‘tussenteksten’ is dan meteen het enige lelijke woord dat je met Fens’ proza in verband kunt brengen. Vermoedelijk moest het woord van stal worden gehaald omdat Fens het woord column wilde vermijden. Hij was namelijk niet zo gesteld op columns en columnisten. Fens schreef: ‘Krijgt u wel eens van iemand een slappe hand? De gever moet een columnist zijn.’ Dit staat in In het voorbijgaan (2007), een verzameling stukken die dan wel de lengte van een column hebben maar die in werkelijkheid kleine essays zijn. Dat is ook de genre-aanduiding op de cover.

In Mijnheer en mevrouw Aluin staan enkele van de allermooiste essays, ‘tussentekst’ of niet, die ik ken. Het zijn onvergetelijke denkoefeningen, soms met licht meditatieve inslag, en over schijnbaar alledaagse onderwerpen als tijd en tijdverloop, het licht, de maanden van het jaar, voorgoed verdwenen geuren, over straten die onnavolgbaar mooie bochten maken (met de Regent Street in Londen als de plek ‘waar het heelal een bocht maakt’). Over dat soort onderwerpen kunnen columnisten een eind weg babbelen, maar bij A.L. Boom resulteerde het in verstilde onderzoekingen die door de precisie van de taal een schoonheidservaring afdwongen. Fens was als A.L. Boom in staat iets zeldzaams voort te brengen: essays die ontroerden.

Mijnheer en mevrouw Aluin sluit af met ‘De laatste spiegel’. Een katholieker stuk dan dit heeft Fens vermoedelijk niet geschreven – en dat is bedoeld als compliment noch sneer, maar louter als constatering. De openingszinnen luiden: „Ook verrijzen doe je alleen. Zelfs het licht is geen toeschouwer”. Het licht als toeschouwer – weinig hedendaagse essayisten zullen zich wagen aan dergelijke religieus geïnspireerde zinnen. De rest van het essay is ook op een bijna mystieke manier in duisternis gehuld, het is een droomachtige uitweiding over – ja, over wat? Over tijd, maar ook over verlichting en eenzaamheid, over zingeving en verlies, en ook over, schrik niet, wederopstanding en de uitstrooiing van de Heilige Geest – over alles, eigenlijk, en dat in een prozatekst die zich keer op keer laat herlezen, als een onontkoombaar gedicht. In de laatste alinea dringt zich aan je op dat ‘De laatste spiegel’ óók gaat over sterven: „Voor de laatste keer, vanaf die ochtend, heb je alles gezien als in een spiegel; de laatste weerkaatsing, de laatste hemelse beeldspraak. Het verborgen leven begint, in ‘het begin’.”

Hier en daar is wel geschreven dat Kees Fens eerst en vooral een journalist was. Die typering doet hem tekort. Fens was een bevlogen prozaïst die zijn verbazing en bewondering tot inzet maakte van beschouwend proza dat op de beste momenten behoedzaam uit de voegen van het genre barstte, zodat er, in het merg van zijn zinnen, poëzie meetrilde – verborgen poëzie, afgeschermde poëzie, onderdrukte poëzie misschien ook, maar: poëzie. Voor mij was Kees Fens een dichter wiens verstolen gebleven dichterschap zich onnadrukkelijk maar onmiskenbaar realiseerde in de prachtigste van zijn ‘kleine essays’.

Joost Zwagerman