Vakantiemanie genezen

Wekelijkse zoektocht naar de grenzen van de slechte smaak. Dit is de slotaflevering.

Vakantie, heerlijk!

Vakantie. Heerlijk! Of niet? De protestantse gemeente in Leusden klinkt niet zo himmelhoch, getuige www.protestantsegemeenteleusden.nl : ‘De kerk – en dat zijn wij – is nooit op vakantie, want wij nemen onszelf altijd mee.’ Ja, dan kun je inderdaad net zo goed thuisblijven. Ik zag eens een onderzoek van de gemeente Groningen: veertien procent van de respondenten zei nooit op vakantie te gaan.

Laten we het eens aan de Tilburgse Vakantieprofessor Ad Vingerhoets vragen. „Nederlanders hebben last van een vakantieobsessie”, meent Vingerhoets. Hoogleraar cultuureconomie Arjo Klamer vult aan. „Mensen die continu doorwerken – de meesten in deze wereld overigens – denken niet aan vakantie en hebben dat verlangen dus ook niet. In Amerika en Japan zouden ze je vreemd aankijken als je beweert hard aan vakantie toe te zijn. Een halve eeuw geleden bestond die uitdrukking in Nederland trouwens ook niet.”

En het is erger. Vraag het de psychiaters maar. Handenvol werk in september. Vakantieklanten. Wachtlijsten tot voorbij de Kerst.

Antivakantieargumenten te over, zou je zeggen. Gelukkig is er nu ook het rapport van de Commissie Bakker. We moeten later met pensioen, zegt Bakker. Werken, werken, werken, dat is het devies. We stellen ons voor: einde rookpauze, einde ziekteverlof, einde invaliditeitsverlof. En einde vakantie dus. Het lijkt mij een zegen. De Depressiestichting raadt mensen niet voor niets af om met vakantie te gaan: „Vakantie nemen maakt alles erger.” Zo is het. Werk is therapeutisch. Handen uit de mouwen, VOC-mentaliteit, gezondheid.

Maar hoe krijgen we ons ganse, vakantiemanische volk zover? Psycholoog Vingerhoets gaat ons lichtend zoniet liggend voor. Hij gaat nooit meer op vakantie, maar leest ’s zomers in zijn eigen tuin een goed boek. Niet eens een reisboek, wed ik. Trouwens, wat zouden de mensen lezen die wel op vakantie gaan? Een vakantieboek? Mag ik gissen? Was ik maar nooit op vakantie gegaan. De verschrikkelijkste reisverhalen van hier tot Harare (2006) door Roger Rapoport. Dit type nuttige naslagwerken kan men echter beter vóór vertrek raadplegen.

Er zijn andere middelen om van vakantiemanie af te komen. Betere. Een schitterend initiatief uit 2002 verdient hernieuwde aandacht. In het kader van de dag voor de architectuur organiseerde cultuurorganisatie Keunstwurk uit Leeuwarden een 'Gruwelijke bustocht langs lelijk Friesland'. Een queeste langs migrainedorpsuitbreidingen en maagzweernieuwbouwprojecten. Men noemde de rode flippobrug te Oosterwolde en Burdaards witte schimmelwijk. Een werkzaam middel. Leer alle hardwerkende Nederlanders de vakantie af. Neem ze mee naar uitgekiende bestemmingen, en ze hoeven nooit meer. Mooi. In Schotland bestaat een agentschap dat ‘Scottish Screen’ heet en een bijdrage zegt te willen leveren aan de ontwikkeling van de Schotse filmindustrie. „Kom bij ons”, roept Scottish Screen. „Hier vind je ideale locaties in de sfeer van krot, ruïne, abattoir, industrieterrein en vuilstort.” Ze richten zich daarbij natuurlijk op de horrorcinematografie, uit puur winstbejag, maar ook de vakantiebestrijder kan er mee uit de voeten. Schotland biedt een schat aan troosteloze oorden, het Belgische Charleroi is mede dankzij Dutroux een nuttig reisdoel, Katowice in Polen schijnt leerzaam te zijn. Zwarte sneeuw, smog, de bleke lijersgezichten der autochtonen. We hoeven natuurlijk niet per se naar het buitenland. Martin Bril wees ons in zijn Volkskrant-column op Emmen en Almere, ik voeg daar graag Hardenberg (Ov.) aan toe. In een internetverkiezing Lelijk Nederland scoorden verder Beverwijk, Zaandam, Andijk en Velsen-Noord bijzonder hoog, Den Helder eiste zelfs een plaats op in een internationaal tegensmaaklijstje.

Na al die plekken te hebben bezocht, smaakt ons nog maar één ding: onze eigen werkplek. Wij blij, Commissie Bakker blij. Prachtig.

Daarmee zijn we terug bij de protestanten te Leusden: ‘De kerk - en dat zijn wij – is nooit op vakantie, want wij laten onszelf liever thuis.’