‘Overheid mag mij geen rechten afnemen’

Het Hooggerechtshof in de VS kende gisteren aan elke Amerikaan het recht toe een wapen in huis te hebben. Het verhaal van de twee libertaire activisten achter het baanbrekende vonnis.

Een wapenwinkel in Texas. De opheffing van een vuurwapenverbod in de hoofdstad Washington gisteren is enthousiast ontvangen door Amerikaanse wapenliefhebbers. Foto Reuters Bonnie DeBerry of Tyler, Texas browses for guns at the Cabela's store in Fort Worth, Texas June 26, 2008. Gun-loving Americans applauded their Supreme Court on Thursday after it ruled for the first time in U.S. history that they had a right to own firearms. REUTERS/Jessica Rinaldi (UNITED STATES) Reuters

Tom Palmer zat gisteren voor zijn werk in Accra, Ghana. De telefoonlijn kraakte. Maar hij was blij – „ongelofelijk blij” – dat het Hooggerechtshof hem, als inwoner van Washington, „eindelijk” het recht had toegekend een wapen in huis te nemen. Toch was Palmer – één van de zes burgers die de zaak aanhangig maakte – beducht voor de reacties.

„Mensen, zeker mensen in Europa, zullen dit uitleggen als een zege voor de wapenlobby en de wapenfabrikanten. Maar het meest verbazingwekkende aan de zaak is misschien wel dat die helemaal geen rol hebben gespeeld.”

Hij legt het nog eens uit. Zijn vriend en collega Robert A. (Bob) Levy vergaarde in de jaren tachtig een fortuin toen hij zijn bedrijf CDA – het eerste dat computergestuurde beursanalyses maakte – aan het Nederlandse Elsevier verkocht.

Levy wilde daarna alleen dingen doen die hij leuk vond. Hij ging, als veertiger, rechten studeren, en specialiseerde zich in de Amerikaanse grondwet.

Voor Levy was het zonneklaar dat het tweede amendement op de grondwet aan alle burgers het recht toekent een vuurwapen te bezitten. Hij zag het als een puur academische exercitie. Belangstelling voor wapens had hij niet. „Bob heeft zelfs nog nooit het plan gehad een wapen te kopen”, zegt Palmer.

Voor de homoseksuele Palmer (51) lag het anders. Hij werd begin tachtig voor het eerst bedreigd toen hij met zijn vriend hand in hand over straat liep. Palmer redde zich door de loop van zijn vuurwapen te tonen, een bevestiging van een levensles van zijn moeder: wie zichzelf niet verdedigt, zal eerder slachtoffer van geweld worden.

Dus toen Levy en Palmer collega’s werden bij het libertaire Cato Instituut in Washington, was het akkoordje snel gesloten. Cato staat vooral bekend om zijn verzet tegen de inperking van burgerlijke vrijheden. Palmer houdt zich er bezig met internationale zaken en onderwijs, Levy doet de constitutie. Hun grootste grief de laatste jaren was dat de regering-Bush elementaire rechten aan terreurverdachten ontzegde. „Een schande”, zegt Palmer.

Daarnaast was er de procedure tegen Washington, een van de gewelddadigste steden van de VS. Midden jaren zeventig verbood de hoofdstad zijn inwoners elke vorm van wapenbezit. Over de effectiviteit van die maatregel wordt verschillend gedacht: in het jaar dat de wet inging, 1976, werden 135 mensen met een vuurwapen om het leven gebracht, vorig jaar lag dat aantal op 143.

Vijf andere inwoners van de stad sloten zich bij Palmer aan om onder leiding van Levy het recht op vuurwapenbezit via de rechter af te dwingen. De vijf zijn, zegt Palmer, relatief progressieve Amerikanen die, net als hij, niets met de conservatieve tak van de wapenlobby, de National Rifle Association (NRA), te maken hebben.

„Dat zijn vooral jagers”, legt Palmer uit. „Ik heb niets met die mensen en hun waarden. Ik wil mijzelf kunnen verdedigen. En ik wil dat de overheid mij geen constitutioneel bepaalde rechten afneemt.”

Aanvankelijk werden hun kansen laag ingeschat. Het bestuur van de hoofdstad, gesteund door machtige spelers als de regering-Bush en burgemeester Michael Bloomberg van New York, verdedigde de wetgeving van Washington, de strengste van het land.

Bush vreesde dat het vrije bezit van vuurwapens de weg zou openen om het federale verbod op automatische wapens opzij te schuiven. Bloomberg onderstreepte dat de veiligheid van de binnensteden is gediend bij beperking van het vuurwapenbezit.

Volgens Palmer zijn dat argumenten die aan de kern voorbijgaan. Het tweede amendement op de grondwet, op schrift gesteld in de achttiende eeuw, kent „milities” het recht toe een vuurwapen te bezitten.

En het Hof steunde gisteren de these van Levy dat dit automatisch het recht van individuele burgers op vuurwapenbezit erkent. „Als politici dat onverantwoord vinden, moeten ze de grondwet wijzigen”, zegt Palmer. „Maar de overheid kan mensen niet willekeurig rechten onthouden.”

Het Hof erkende gisteren alleen het recht van burgers binnenshuis een wapen te bezitten. Voor de openbare ruimte – als voorbeeld werden scholen en overheidsgebouwen genoemd – houden overheden de mogelijkheid wapenbezit te verbieden, aldus het Hof. Maar door de algemene formuleringen die het gebruikte, is het waarschijnlijk dat de uitspraak aanleiding zal zijn voor een lange reeks nieuwe rechtszaken.

Sinds Gore in 2000 de verkiezingen mede verloor door zijn bezwaren tegen onbeperkt wapenbezit, hebben Democraten het onderwerp laten rusten. De huidige kandidaat, Obama, neemt een middenpositie in. Hij erkent het recht een wapen te bezitten, maar vindt ook dat in binnensteden en getto’s beperkingen aan het bezit gesteld kunnen worden. Zijn Republikeinse rivaal McCain sloot zich vorig jaar al aan bij de procedure.

En hoewel de NRA geen aandeel had in de procedure die gisteren tot het oordeel van het Hof leidde, kondigde de organisatie aan dat ze in het najaar campagne zal voeren tegen de door Obama gesteunde restrictieve wapenwetten van Chicago, Obama’s woonplaats – zodat het onderwerp vermoedelijk een rol in de presidentscampagne zal spelen.

Voor Tom Palmer maakt dat niet veel meer uit. Hij is tevreden dat de politieke lading van dit onderwerp is verdwenen. Daarom zou hij, als er vandaag verkiezingen zouden zijn, met een gerust hart Obama stemmen.

Niet alleen is hij tevreden met Obama’s erkenning van het recht op wapenbezit. „Maar ik vind het conflict met Iran het belangrijkste onderwerp in deze campagne. Op dat gebied heb ik meer vertrouwen in Obama, omdat hij ons niet in een oorlog met dat land zal storten.”