Noem mij Castanea Dentata

Goed schrijven over bomen draait om inlevingsvermogen, blijkt uit drie boeken. En dat moet zich volgens ‘treehuggers’ ook uitstrekken tot een ‘meedogen- loze houtmachine’ als de beuk.

Een kastanje, artist’s impression Omslag van besproken ‘American Chestnut’, Susan Freinkel

Roger Deakin: Wildwood. A Journey through Trees. Hamish Hamilton, 391 blz. € 32,–

Susan Freinkel: American Chestnut The Life, Death and Rebirth of a Perfect Tree University of California Press, 284 blz. € 22,–

Koos van Zomeren: Het Bomenboek. De Arbeiderspers, 170 blz. € 18,95 (verschijnt op 20 augustus)

Treehugger is het denigrerende Amerikaanse woord voor natuurminnaars en alternatievelingen. Boomknuffelen of met bomen praten, à la prinses Irene, is te beschouwen als een kinderlijke, over-sentimentele vorm van natuurliefde. Een compensatie misschien, voor de onverschillige manier waarop we bomen bezien – als grondstof, uitzicht of decorstuk voor een wandelingetje.

Toch zou je auteurs die jaren van hun werkzame leven wijden aan de boom, zoals de Britse schrijver Roger Deakin, de Amerikaanse wetenschapsjournaliste Susan Freinkel en de Nederlandse auteur Koos van Zomeren hebben gedaan, best treehuggers kunnen noemen. Laat het woord dan wel eerst een andere gevoelswaarde aannemen. Want uit hun drie fascinerende boeken blijkt dat het voor een schrijver bepaald zinvol is om met bomen een intieme relatie te onderhouden.

De relatie tussen mens en levend hout is een symbiotisch mengsel van emotie en exploitatie, van dominantie en afhankelijkheid, een relatie zo complex dat een romanschrijver er zijn vingers bij zou aflikken. ‘Onze intieme relatie met bomen is fysiek, cultureel en spiritueel: letterlijk een uitwisseling van CO2 voor zuurstof’, schrijft de Brit Roger Deakin in Wildwood, A Journey through Trees. In haar boek over het uitsterven van de Amerikaanse kastanje (Castanea dentata, verwant aan de tamme of Europese kastanje Castanea sativa, en geen familie van de paardenkastanje), schrijft wetenschapsjournaliste Susan Freinkel over ‘de ecologie van verdriet’. Het blijkt dat wetenschappers zich, ondanks hun rationele kennis over ontstaan en verdwijnen van soorten, en hun dedain voor het projecteren van menselijke gevoelens op de natuur, toch op die gevoelens betrappen: ‘Ik rouw om deze schitterende bomen.’

Het vijfde element

De in 2006 overleden schrijver en natuur- excentriekeling Deakin is het meest alomvattend in zijn poging de relatie tussen de mens en het ‘vijfde element’, het hout, te vatten. Hij kreeg in Engeland enige bekendheid met zijn boek Waterlog, waarvoor hij zich letterlijk onderdompelde in het Engelse landschap – hij zwom overal in natuurwateren. Ook Deakins relatie met hout is symbiotisch. Zijn eigen Elizabethaanse ruïne in Suffolk liet hij half open, zodat hij zijn leven kon delen met takken, bomen en insecten. Deakin stookte hout en hij beschrijft gedetailleerd de voordelen van wilgen, berken- en eikenhout.

Het postuum verschenen Wildwood is een schitterende, meanderende cultuurgeschiedenis van de Britse relatie met bomen, vastgelegd in rijke, zorgvuldige en lyrische bewoordingen. Deakin vereenzelvigt zich in dit boek net zozeer met taal als met hout. Of het nu om de politieke dimensies gaat van een folkloristisch festival waarbij men hout uit het bos haalt, of om het vakmanschap van de makers van notenhouten dashboards van Jaguars – hij schrijft erover met evenveel detail en toewijding. Ook kom je nog eens ergens met deze man. Een hoogtepunt is zijn beschrijving van de bijeenkomst, aan een bosrand, in de schemering, van de vijf leden van de Essex Motten Groep voor een avondje motten determineren. ‘Motten zijn prachtig verfijnd in hun symmetrie, miniaturen, perfect tot in het detail en verfijnder dan menselijke kunst. Onder een microscoop zijn de vleugeltekeningen samengesteld uit piepkleine schubjes, die aanvoelen als poeder wanneer je een mot bij zijn vleugels probeert te pakken. [...] Neem een motje gevangen in je gesloten hand, en je voelt zijn opstandige energie als het vecht om te ontsnappen.’ Deakin citeert Cyril Connolly, die de schutkleuren van tong en tarbot uitlegde als ‘zelfhaat.’ Dit kan niet opgaan voor motten, betoogt hij: ‘Zo intiem is de relatie van de mot met de boom – hij voedt zich van de boom als een rups, hij woont erin en verbergt zich erin – dat zijn verkleuring een „badge of loyalty” is, een ereteken van trouw.’

Deakins vloeiende pen heeft een zekere oeverloosheid tot gevolg, maar zijn proza is een subliem voorbeeld van het Angelsaksische genre van ‘Nature Writing’ dat immers tot doel heeft landschappen in woorden tot leven te wekken. Berk, wilg en eik worden als personages in een grootse roman. De ware natuurschrijver, blijkt uit dit boek, bevindt zich op het kruispunt van cultuur en natuur, en doet er verslag van hoe de twee polen eeuwenlang op elkaar hebben ingewerkt. Deakin vlecht een heg en schrijft: ‘Heel oude heggen zijn een vorm van kunst; een soort bomenjazz, geïmproviseerd via de generaties.’

Gezellig

Tegenover de lyrische marathonloper Deakin staat de nuchtere sprinter Koos van Zomeren. In Het Bomenboek, de bundeling van de stukjes over bomen die de afgelopen jaren op de Achterpagina van deze krant verschenen, levert hij zich juist zo min mogelijk uit. Hij houdt het liever gezellig, (‘Een aardige bijkomstigheid als je toch naar de stad moet: even langs het honingboompje’). Waar Deakin het heeft over de verbondenheid met hout van zijn voorvaderen, constateert van Zomeren: ‘Toen ik in Woerden woonde, ben ik uiteindelijk over koeien gaan schrijven. Nu ik weer in Arnhem woon, schrijf ik over bomen. Het is maar net waar je tegenaan loopt.’ Zo gewoon, dat het bijna koket is.

Maar áls Van Zomeren kiest voor iets majestueus, dan maakt dat indruk, zoals in het stuk over de beuk, ‘een meedogenloze houtmachine’, die in de strijd om licht alle andere soorten in het bos verdringt. Van Zomerens stukken over het lot van de boom in de stad, en zijn reconstructie van de indrukwekkende leeftijden en afmetingen van bomen in vroeger tijden, geven een mismoedig beeld – een conclusie die de schrijver nadrukkelijk aan de lezer laat en waar hij zich niet openlijk tegen lijkt te willen verzetten. Om de boom bekommeren zich in Nederland veel wetenschappers, actiegroepen, bosbeheerinstanties en boomverzorgbureaus. Desondanks is de boom, door de enorme druk op de ruimte en de eeuwige veranderingsdrift en daaruit voortvloeiende kapneigingen bij beleidsmakers, naar de marge gedrongen. ‘Bomen van een eeuw terug zijn gestaag aan het verdwijnen, bomen die momenteel in de stad worden aangeplant hebben een levensverwachting van twintig jaar.’

‘Er is simpelweg te veel management, te weinig ,,informed neglect’’,’ schrijft Roger Deakin over modern natuurbeheer. Een groots, bizar bomen- en natuurbeheerverhaal vertelt journaliste Freinkel in haar American Chestnut. Deze mammoetbomen (de stam vaak meer dan drie meter in doorsnee) vormden ooit een kwart van de wouden van oostelijk Noord-Amerika. Boerengemeenschappen en hun dieren leefden van de noten en het hout, dat makkelijk te bewerken en buitengewoon sterk was. Begin 20ste eeuw vaagde de zogeheten ‘chestnut blight’ , ‘kastanjekanker’ in een paar decennia naar schatting 3,5 miljard bomen weg. De ziekte was vermoedelijk binnengekomen via de import van Aziatische kastanjes, een verwante soort die wel tegen de ziekte bestand is. Het verdwijnen van de Amerikaanse kastanje is één van de opmerkelijkste verwoestingen van een plantensoort in de geschiedenis, en een van de oorzaken van de trek van Amerikaanse boerengemeenschappen naar de steden, waar industrialisatie toen net inzette.

Freinkel doet in extenso verslag van de maatregelen en technieken die werden uitgevonden om deze ongekende ramp te stoppen (quarantaine, preventief kappen) en schrijft over het grootse falen van de mensen die hun leven eraan wijdden. In het tweede deel gebeurt het omgekeerde: nu staan de wetenschappers en gedreven gepensioneerden centraal die zich met behulp van overgebleven bomen inzetten voor het kweken van een resistente soort: kruisingsprogramma’s, genetische manipulatie, en pogingen om de schimmel met een tegenschimmel minder schadelijk te maken.

Artefact

Voor de lezer is niet elke wending even interessant, maar de symbolische waarde van Freinkels verhaal is dat wel, allereerst natuurlijk als waarschuwing van hoe weinig de mens kan uitrichten wanneer de vernietiging van een soort eenmaal in gang is gezet. De kastanje verdween razendsnel, reconstructie is uitermate onzeker en een zaak van hele lange adem. Een verdwenen soort, zelfs een fundamentele, grondstof-leverende soort als de Amerikaanse kastanje, blijkt na één generatie ook een nagenoeg vergeten soort. Is dat erg? Zou een gereconstrueerde Amerikaanse kastanje meer zijn dan een nostalgisch artefact? Of is het een daad van rechtvaardigheid iets in het landschap terug te brengen wat er door menselijk toedoen uit verdween?

Freinkel, iemand die zich door de ‘chestnuttiness’ van de kastanjefanaten minstens zo aangetrokken voelde als door de boom in kwestie zelf, zoekt het antwoord in de betrekking tussen mens en boom. Iets van hoe de boeren met de boom samenleefden is bij de wetenschappers van vandaag blijven hangen, schrijft ze. ‘Een machtige, zij het naamloze affiniteit voor een medesoort, elke logica voorbij’.

Het gaat ver om, zoals de vrouw van een kweker doet, kastanjebomen namen te geven. Maar het staat voor Freinkel buiten kijf dat zonder liefde voor, of tenminste een emotionele band met, een andere soort, bekommernis om die soort niet mogelijk is. Zoals een van Koos van Zomerens gesprekspartners zegt: „Ik geloof niet dat bomen kunnen lijden. Maar ik geloof ook niet dat dat een reden is om ze liefdeloos te behandelen.”

‘Een cultuur is niet beter dan zijn bossen’, citeert Roger Deakin W.H. Auden. Laat een ieder met de macht om kapvergunningen uit te delen, deze regel op zijn minst boven zijn bureau hangen.