‘Nee, dank u’

Twee mannen, dertigers, passeerden me op straat terwijl ze druk in gesprek waren. Ik hoorde de een tegen de ander zeggen: „Elke dag met tegenzin in de auto stappen om in Delft niks te gaan zitten doen – verschrikkelijk.”

Ik nam hem van terzijde op: hij was een stevige, gezond ogende man in een net kostuum. Misschien was de ander een vriend of collega en waren ze op weg naar zijn auto, die hij voor bijna vier euro per uur ergens langs de gracht geparkeerd had.

Zijn bittere moedeloosheid contrasteerde wel heel sterk met de vrouwelijke junk, die ik een dag eerder op de Gelderse Kade in Amsterdam een bekende hoorde groeten. „How are you?” had de man haar toegeroepen. Ze gilde terug: „I am alive!”

In haar magnifieke ironie klonk, ondanks alles, nog iets van enig optimisme door. Dat kon de man die elke dag naar Delft moest al niet meer opbrengen. Hij zou wel een goedbetaalde baan hebben, waarin hij voorlopig niets meer hoefde te doen. Het instituut waarvoor hij werkte, had de subsidie voor dat jaar al binnen, de merendeels nutteloze projecten waren uitgezet en het wachten was nu op de eerste overbodige rapportages die zo langdurig mogelijk geëvalueerd moesten worden.

In zijn woorden hoorde ik een echo uit een ver verleden. Andere tijden, andere man, zelfde geluid. Ik had lang niet meer aan hem gedacht, maar nu zag ik hem opeens weer voor me opdoemen. Wim, zal ik hem maar even noemen.

Hij was destijds ook een dertiger en woonde met vrouw en kinderen naast ons. Op het eerste gezicht maakte hij een blijmoedige indruk als hij, dikke sigaar in blozend hoofd, bij ons aanwipte. Een luidruchtige man die graag lachte, maar tot somber getob kon vervallen zodra zijn carrière ter sprake kwam. Daar ging het bijzonder slecht mee.

Aan het salaris lag het niet, hij kon er goed van rondkomen en had bovendien ‘een auto van de zaak’, een royale Fiat, een paar maatjes groter dan de mijne. Hij was heel trots op zijn auto, maar toch moet hij hem ook vaak vervloekt hebben, omdat die auto een symbool was geworden van zijn troosteloze positie.

Hij was vertegenwoordiger en elke dag moest hij grote afstanden afleggen om mensen over te halen producten te kopen waar ze niet op zaten te wachten. Honderden kilometers, in z’n eentje, door een (toen nog) goeddeels leeg landschap.

Het gesprekje met de potentiële afnemer duurde nooit langer dan een minuut of vijf. Doorgaans zei die: „Nee, dank u.” En dan kon hij weer verder, naar de volgende neezegger.

Er waren dagen bij dat hij helemaal niets ‘voor de zaak’ verdiende en half jankend achter het stuur voortjakkerde over Gods wrede wegen. Sommige weken kon hij het niet meer opbrengen en bleef hij overspannen thuis.

Maar zijn wraak zou zoet zijn.

Hij had één grote hobby: de voetballerij. Daarover raakte hij nooit uitgepraat. Hij verhuisde met zijn gezin en we verloren hem uit het oog, maar af en toe zag ik zijn naam in de sportpers opduiken. Hij was voetbalmakelaar geworden. Ik merkte dat zijn naam verbonden was aan een belangrijke international die vaak ‘doorverkocht’ werd.

Wim werd voetbalmiljonair. Voortaan was hij degene die „nee, dank u” kon zeggen.

Wanhoop dus nooit, zelfs niet als je elke dag tevergeefs naar Delft moet.