‘Laat Londen maar overwoekeren’

Als jongetje al hield schrijver en bergbeklimmer Robert Macfarlane van ruige landschappen. „Die passie komt voort uit een besef van verlies, van vernietiging”.

Robert Macfarlane: ‘De natuur is altijd machtiger dan de mens’ Foto Richard H. Smith Smith, Richard H.

De plataan van drie eeuwen oud heeft ‘takken als bliksemschichten’. De boom zelf vormt een ‘koepel waarin je kunt wonen’. De Britse schrijver en bergbeklimmer Robert Macfarlane (1976) wijst met aanstekelijk enthousiasme op de wild gegroeide boom in de overigens keurige tuin van het Emmanuel College in zijn woonplaats Cambridge, waar hij Engelse letterkunde doceert.

Het is niet verwonderlijk dat Macfarlane mij meteen meetroont naar deze sprookjesboom. Zijn nieuwste boek The Wild Places (2007), vertaald als De laatste wildernis, begint met de lyrische beschrijving van een jongeman die in een boom klimt om te ontsnappen aan de wereld. ‘De wind wakkerde aan en dus ging ik naar het bos’. Het boek is een zoektocht naar de ongerepte, ruige gebieden van Engeland en Schotland.

In 2003 publiceerde Macfarlane Mountains of the Mind, vertaald als Hoogtekoorts, een fascinerende studie over het fatale verlangen naar de hoogste bergen. Met The Wild Places zet Macfarlane zijn onderzoek voort naar de betekenis van onherbergzame landschappen voor de menselijke geest.

Macfarlane: „Al sinds mijn vroegste jeugd ben ik geboeid door streken die, zoals ik het in mijn boek noem, ‘niet-menselijk, noordelijk, afgelegen’ zijn. Mijn grootouders woonden in Schotland en daar beklom ik mijn eerste bergen. Mijn passie voor ruige landschappen komt voort uit een besef van verlies, van vernietiging. Er wordt wereldwijd zoveel kapotgemaakt aan landschap, aan zuivere wildheid, dat ik ervan huiver. Daarom is de Nederlandse titel goed gekozen, De laatste wildernis. Dat toont het apocalyptische karakter van mijn boek: iets beschrijven dat verloren dreigt te gaan.”

In de Engelse literatuur staat het begrip nature writing onder druk. Volgens Macfarlane heerst er zelfs een taboe op boeken die puur over de natuur gaan: „Ze krijgen al snel het predicaat sentimenteel te zijn, romantisch staren naar de zonsondergang, naar een beekje dat vliedt tussen de bomen. Natuurlijk hebben wij onze nature poets Shelley en Wordsworth, maar de traditie is hier minder sterk dan in Amerika. Daar hebben boekwinkels een aparte kast voor dit onderwerp. In Engeland overheerst onbehagen over boeken die de natuur tot hoofdpersoon maken. Onze reisliteratuur is indrukwekkend, maar onze blik op de nabije omgeving schiet tekort. Met The Wild Places heb ik een gemis willen goedmaken.”

In de afgelopen jaren heeft Macfarlane meegewerkt aan periodieken als Times Literary Supplement en The New York Review of Books, waarvoor hij beschouwingen schreef over de historie van het Engelse landschap en schrijvers uit het verleden hierover aan het woord liet. Zijn nieuwste boek is zowel landschapsgeschiedenis als literaire historie. Mijn vraag is hoe Macfarlane dan die koudwatervrees voor al te veel sentiment weet te voorkomen?

„Ik combineer uiteenlopende disciplines. Zowel in Mountains of the Mind als The Wild Places citeer ik uit wetenschappelijke en letterkundige bronnen. Ik heb me verdiept in gesteenten en mineralen, in ornithologie, flora en fauna. Als ik schrijf over de schoonheid van de bergen van Schotland, dan verwijs ik graag het rotsgesteente gneiss en naar het mineraal kwarts om de exactheid te waarborgen. Je kunt wel vol gevoel de schitter van zonlicht op een bergkam weergeven, maar voeg je daaraan toe dat die schitter ontstaat dankzij de structuur van gneiss, dan vang je lyriek en wetenschap in een observatie.”

Macfarlane is net teruggekeerd van een bergtocht door Schotland. Opnieuw ervoer hij daar dat ,,het landschap een kameraad is, een companion’’. Voorwaarde is dat je als wandelaar of bergbeklimmer moet leren omgaan met het landschap; ernaar luisteren, ernaar kijken, de structuur en geschiedenis ervan ondergaan. Macfarlane verzet zich tegen het wandelen als een bezigheid die erop gericht is een doel te bereiken; dat laatste is niet interessant. Daarom gaat hij op in de natuur door in bomen te klauteren, zich onzichtbaar te maken als een dier en te slapen in een eenvoudig bivak op bergtoppen en op andere ‘niet- menselijke’ plekken.

„Tijdens het schrijven van De laatste wildernis kwam ik erachter dat mijn tocht naar de onherbergzame uithoeken zoiets is als een sentimental education,” legt Macfarlane uit. We zitten nu op een klein, omheind terras van een uitgeverij annex pub die The Free Press heet. Het valt op dat Macfarlane zelfs in een stedelijke omgeving elke overvliegende vogel (,,Kijk, een sperwer!’’), een vlinder die neerstrijkt of een bewegende boomtak nauwlettend in de gaten houdt. Hij vervolgt: „Die education is vooral te danken aan het gezelschap van een begaafd schrijver, natuurkenner en vriend, Roger Deakin, die stierf terwijl ik nog aan het werk was. Hij heeft me geleerd mijn reisdrang en mijn fascinatie voor het onherbergzame ook anders te beleven: niet zozeer als dorst naar de verte, maar ook als een reis door het innerlijk. Hij heeft me ertoe geïnspireerd een reis naar buiten te beschouwen als een reis naar binnen. Dat moet je niet meteen al te gevoelig opvatten. Mijn reizen door de wildernis hebben zowel een horizontale als een verticale component. Als ik me voortbeweeg door een landschap gebeurt dat in horizontale lijn. Ondertussen beschouw ik het gebied tegelijk vanuit een verticale optiek. Ik heb die werkwijze geleerd van de 18de-eeuwse Schotse geoloog James Hutton, die op duizelingwekkende wijze een landschap kon ontrafelen als een reis door de tijd. Als hij een granieten kei in zijn handen nam, dan zag hij de oeroude aardse krachten voor zich die tot de vorming van die kei hadden geleid.”

Al ontbreekt volgens Macfarlane nature writing in de Engelse literatuur, hij wil voor twee boeken een uitzondering maken. Allereerst On the Black Hill (1982) van Bruce Chatwin: „Chatwin leerde na al zijn verre trektochten kijken naar een landschap dat veel dichterbij ligt, en even fascinerend is”. Een ander meesterwerk in de Engelse literatuur is The Peregrine (De slechtvalk, 1967) van J.A. Baker. Deze verwoede natuurliefhebber sloot zich in de jaren zestig af voor de mensen en zocht in de eenzaamheid van het graafschap Essex uitsluitend het gezelschap van vogels, met name de roofvogel uit de titel. Macfarlane: „Aanvankelijk wilde ik uitsluitend de ruige plekken van Engeland beschrijven, de uiterste grenzen. Ik zocht Cape Wrath in het noorden op, doorkruiste de Schotse Hooglanden en zwom in riviermondingen. Totdat ik na terugkeer uit die niet-menselijke wereld weer in Cambridge kwam. Met mijn dochtertje maakte ik een wandeling door een beukenbos, hier niet ver vandaan. Ik boog een stukje schors van een oude boom af en liet haar het prachtige gangenstelsel zien, net een grafisch kunstwerk, dat kevers door het hout graven. Ik leerde haar de ruigte kennen van de ons omringende wereld.”

Macfarlanes blik valt plotseling op een vlinderstruik, de buddleja, die achter mij groeit met zijn paarse, langwerpige bloemen. „De natuur is altijd machtiger dan de mens. Als er hier geen menselijke bewoning meer zou zijn, is binnen de kortste tijd heel dit terras overwoekerd met vlinderstruiken, met klimop. Als je goed om je heen kijkt in Londen, dan kom je zo vaak de vlinderstruik tegen. Er is geen ongerept hoekje of er groeit wel iets. Ik stel me soms, als in een visioen voor, dat de buddleja heel Londen overwoekert, alle gebouwen, de pleinen, zelfs de Tower en de musea. De natuur zelf maakt de mooiste kunstwerken, daar is goddank geen mensenhand voor nodig. Kijk eens naar een steen aan de kustlijn, gladgeslepen door de eindeloze stromingen. Of een vogel in de vlucht boven het oude Engelse landschap. Aan het slot van The Wild Places ben ik tot de ontdekking gekomen dat ik moet leren kijken naar de onmiddellijke nabijheid van bossen, van het open land dat vol betekenis zit.”

Op de laatste bladzijde van De laatste wildernis verwoordt Macfarlane zijn bevrijdende ontdekking even prachtig als hoopgevend. Er staat, in de mooie vertaling van Nico Groen: „Ook hier, op ruim een kilometer afstand van de stad waar ik woonde, was nog ongerepte natuur. Ze werd belaagd door wegen en gebouwen, een groot deel verkeerde in gevaar en een klein deel lag op sterven. Maar op dat ogenblik leek het land te zinderen van woest licht.”

Robert Macfarlane: Hoogtekoorts (Mountains of the Mind). Vertaald door Nico Groen, De Bezige Bij. 319 blz. € 19,90Robert Macfarlane: De laatste wildernis (The Wild Places). De Bezige Bij, 320 blz. € 19,90Voor de bespreking van Macfarlanes boeken zie nrcboeken.nl