Ik heb iets tegen die vervloekte braafheid

Lieve Hafid,

Ja, dat moet een pornoverhaal naar Kristiens hart zijn, ’t heeft zowat dezelfde opbeurende werking als de posters van David Hamilton uit de dagen van olim, geslachtsdelen buiten beeld maar niettemin veel vaseline op de lens – Bambi in knuffelland. De opbeurende werking die een steekvlieg heeft op een stijve hondenlul. Een werking die van meer boeken van Hemmerechts uitgaat. (Ik probeer altijd vriendjes met haar te blijven, goedmoedige sul als ik ben, maar dan komt zij het weer bederven.)

Je moet als schrijver wel verdomd verlegen zitten om een onderwerp, als je het moet gaan zoeken op de vuilnisbelt van schijnproblemen, ouwe koeien en gaap-gaap-feminisme. Ik zie het als een poging van haar om in het nieuws te blijven. De boodschap kan dan niet kinderachtig genoeg zijn. Veel programmamakers en organisatoren staan te popelen om simpele dingen. Je hoort een schrijfster of schrijver beweren dat mannen een mes in hun broek klaarhouden of dat Mohammed louter odeklonje strooit en verdomd, de volgende dag zie je de schrijfster of schrijver langs alle talkshows trekken. Je kunt daar de klok op gelijk zetten.

De bestseller van het jaar wordt ooit nog eens – en sneller dan we denken – geschreven door iemand die in zijn blote kont komt vertellen dat twee plus twee vier is.

Je komt nu wel erg veel gemaksliteratuur, versimpelboeken en vrijetijdslezen tegen. Lekker en lui is nog daaraan toe, maar blij en debiel, dat wordt al erger. Ik heb weinig tegen gemakzucht en een luizenleventje, er hangen spiegels bij mij thuis, ik heb iets tegen die vervloekte braafheid.

Ik weet niet of ‘de’ literatuur veranderd is. Voor zulke uitspraken mis ik de kennis. Het publiek is wel veranderd. En het vriendelijkste wat je ervan kunt zeggen is dat een boel schrijvers de huik naar de wind laten hangen. Ik zie beslist geen spoken als ik constateer dat de meeste boeken die succes hebben toch wel erg braaf zijn. Er is weer een literatuur komen bovendrijven die het beste met de zwartjes voorheeft en die wil dat alle mensen broeders worden en die bij het constateren van onrecht de vuist balt, nu ja een vuistje. De boodschap wordt misschien niet zo vet gebracht, maar duidelijk moet zijn dat de schrijver een aartsbraverik is, een man of een vrouw van wonden die echt niet kunnen en van pleisters die hoognodig moeten. Ze verkondigen geen boodschap, boodschappen zijn uit de mode, ze steken een riem onder het hart.

De nieuwe hoeraschrijvers beweren – op het podium, in vraaggesprekken – dat de mens een richting moet hebben en dat ze die, hoera, bij de hoeraschrijvers aantreffen. De nieuwe hoeraschrijvers richten zich tot de zoekende mens, die niet langer hoeft te zoeken als hij maar de nodige lessen weet te trekken. Lessen uit de geschiedenis. Lessen uit de hoeraliteratuur.

Als literatuur al zin heeft, dan komt daarin de mens aan bod die nauwelijks weet wat hij doet. Als iemand van het mensensoort al eens een goede beslissing neemt, gebeurt dat uit stom toeval. Goeie literatuur laat onontkoombaar zien dat mensen sukkels zijn die soms onze deernis verdienen en vaker niet. We zijn het zelf die de deernis moeten ophoesten, en dus erbarmelijke kandidaten. De schrijver maakt deel uit van het uitschot. Nooit zal de mens in staat zijn uit wat dan ook een les te trekken, want hij is een mens.

Maar ik zie opnieuw schrijvers op stelten schrijden, over de maatschappij heen, en ik huiver.

Vanuit de poolkou,

je Gerrit