Hulst, Auke

De meest literaire sport is een zaak van wattage, bouw en medische begeleiding aan het worden. Waar vinden we de mythe terug? In de boekenkast, of toch door zelf op de fiets te klimmen?

De fietser is zo groot als zijn berg Tekening Peter van Dongen boeken over wielrennen Dongen, Peter van

Afgelopen zomer stond ik, racefiets aan de hand en te veel kilo’s om het middenrif, bovenop Alpe d’Huez. Uitgeput na veertien kilometer bergop, door eenentwintig haarspeldbochten, genomen in een veelvoud van de tijd die Marco Pantani er ooit voor nam. Zoals dat gaat, was de tocht decennia eerder voor de tv begonnen. En niet alleen voor mij. Horden mannen – jong en middelbaar, afgetraind en uitgedijd – zwoegden met mij naar boven.

Het is ‘het verlangen een mythe te worden’, schrijft ex-coureur Peter Winnen in het gelijknamige verhaal dat is opgenomen op Radio De Muur, een luisterboek afgewisseld met klassieke fragmenten uit Radio Tour de France. Winnen vertelt over een geslaagde bankbestuurder, type speciale gast van de sponsor, die urenlang bij de finish van een bergetappe had gestaan, hunkerend naar een glimp van de mythe. Die niet te vinden was. Het had iets treurigs, iets aandoenlijks, iets wanhopigs. ‘Een jongensdroom is onvervuld gebleven’, wist Winnen.

Dat geldt voor velen, die de honger indirect zijn gaan stillen. Door zich voor de televisie of langs het parcours met de renners te vereenzelvigen en zich zo hun daden toe te eigenen; door tijdens fietsvakanties de flanken van legendarische cols op te stumperen. De schrijvers onder ons – Martin Ros, Tim Krabbé – stelden in ronkende bewoordingen de koers te boek. Ook dat is een manier van toeëigenen. Het verhaal kan met woorden worden geretoucheerd.

Met boksen is wielrennen de meest literaire sport – een verhalenmachine, de Tour de France werd niet voor niets door een krant bedacht. De nieuwste oogst omvat (onder veel meer) het met anekdotes en quizvragen afgeladen Grote Tourboek, Jac Zwarts encyclopedie van Wielermonumenten, een herdruk van Johan Fabers Alpe d’Huez (2007) en Boudewijn Smids ‘literaire’ fietsroman Op de helling.

In dat laatste boek nemen vijf vrienden zich voor om tijdens de jaarlijkse fietsvakantie mee te doen aan La Marmotte, een zware amateurkoers die over Glandon, Galibier en Alpe d’Huez voert. Thomas, Jaap, Peer, Boris en Alexander zijn mannen van in de veertig en in meer of mindere mate geknecht door het leven. Waar Jaap elk jaar het makkelijkst de stijgingspercentages verteert, wil Thomas voor één keer Jaap op zijn nummer zetten. Allemaal gekrenkte eigenwaarde, natuurlijk: diesel voor de dadendrang. Thomas heeft zich suf getraind voor zíjn flintertje glorie.

Herkenbaar? Zeker. Irritant? Ook dat.

Smid weet met zijn uitweidingen over trainingsarbeid en hellingsprofielen de gedroomde magie van het klimmen niet te treffen. Het is fietsen voor ambtenaren, vrijwel gespeend van het transcendente, het mystieke. Klimmen is de meest katholieke discipline in een toch al katholieke sport. In het zweet des aanschijns worstelt de renner tegen de onwrikbare decorstukken van de Schepping op, als Jezus’ kruisgang op Golgotha. Zelfs een atheïst zag Marco Pantani l’Alpe opsnellen alsof het een wenteltrap naar zijn Heer betrof. (De Here tot Elefantino: „Wat een klim! Wat een cadans! Hoezo EPO? Niet gesnapt is niets gepakt.”) Een beklimming herbeleef ik het liefst in verhitte lyriek, consumptierijk voorgedragen door Martin Ros.

Jan Boesman is zo’n lyricus. De jonge Vlaming publiceerde onlangs het prachtige De vliegende neger & de kleine koningin, over de Afro-Amerikaanse baanrenner Major Taylor, en heeft een mooi klimverhaal in de nieuwste editie van literair wielerblad De Muur. In ouderwets overstatement schetst hij Merckx’ eerste grote exploit in een bergetappe van de Giro. In de toekomst, schrijft Boesman, zal een onderzoekscommissie vaststellen dat ‘Belgen, de dappersten aller Galliërs, geen verzinsel waren van een groot Romeins keizer, maar dat zij echt hebben bestaan, of toch op zijn minst één’. Boesman moet het verlangen mythe te worden stevig te pakken hebben gehad.

Maar helaas, we ontkomen niet aan de waarheid, de platte praktijk. Sla Fabers doortimmerde profiel van de ‘Nederlandse berg’ erop na. De sportschrijver neemt ons mee van de wetenschap achter ‘klimcapaciteiten’ naar de malende gedachten van de ontsnapte renner. Succes heeft minder met mystieke krachten te maken, zo betoogt hij, dan met wattage, bouw en medische begeleiding. Het vermeende plot is eigenlijk een vergelijking van lichaamsfuncties. Het is ontnuchterend, zoals Peter Winnen in Van Santander naar Santander ook al de banaliteit van zijn Alpe d’Huez-victorie blootlegde. Hij was gesloopt, dat was alles, er danste geen „jubelende engelenschaar” rond zijn hoofd. Winnen voelde zich eerder ‘een opengeplofte aardappelbovist’. Renners leren vroeg in hun carrière wat wij verdringen willen: de mythe is een leugen.

Koersen is de laatste jaren doorzichtiger geworden; dichterbij gekomen. Nuances zijn aangebracht door schrijvende (ex)- renners als Winnen en Pedro Horrillo, en door commentaar van wielerinsiders als Maarten Ducrot en José de Cauwer. De omertà is doorbroken en de sport moderniseert (denk aan de ‘oortjes’ die renners tot trekpoppen van ploegleiders lijken te maken). De moderne renner – type Armstrong, Boonen, Boogerd – is mondiger. Hij is getrouwd met fotomodel of rockster, geeft interviews en heeft zijn opinies klaar. Vroeger had onze fantasie meer speelruimte. Wat wisten we over Miguel Indurain? Hooguit dat hij een standbeeld was op een tijdritfiets. Wie was Lucho Herrera? Een klimmertje dat – tik, tik, tik – uit ieders wiel kon springen. Joop Zoetemelk? Zoals Faber schrijft, een man ‘zo gedwee en gedisciplineerd, dat mensen soms denken dat hij achterlijk is’. Hield ze een microfoon voor de neus en ze spuiden wat vermoeide clichés, als ze überhaupt al iets zeiden. Veel bleef mysterieus en onuitgesproken. Wat we van renners wisten waren hun daden op de fiets. In lijn met Scott Fitzgeralds adagium ‘action is character’ was dat wíe ze waren. Die daden werden de bouwstenen van legenden.

De speelruimte maakte het mogelijk het verhaal van de koers achteraf te construeren, op te kloppen. Met het aantal geplengde woorden woekerde door de jaren het mythologisch gehalte. Dopingschandalen werden genegeerd, weggeredeneerd of deel van de legende. Zoals de grootte van een superheld afhangt van zijn aartsvijand, zo werd de renner gemeten langs de meetlat van de berg die hij bedwong. Mont Ventoux, Alpe d’Huez, Galibier, Tourmalet: ze werden haast personen – met afschrikwekkende, levensgevaarlijke trekken.

De ongemakkelijke waarheid is dat de werkelijkheid van de renners alleen oppervlakkig die van de beschouwers was, en in mindere mate: is. Voor een renner is een alpencol heus een martelgang, maar voornamelijk is het: de koers lezen, eraan denken op tijd te eten en te drinken, het in toom houden van de hartslag, heel soms een beetje sadistisch genot wanneer – in goed Vlaams – een tegenstander in ‘te nauwe schoentjes’ geraakt. Het is profsport, geen symbolische roman. Het realisme van de koers versus het magisch realisme van De Koers.

In Op de helling worden de mythische bergen vergooid aan doorsnee Hollanders met doorsnee gebabbel over werk en gezin. Hun gekeuvel haalt de grandeur uit het gevecht met de berg. Pas in de slotfase van het boek, op de flanken van de Alpe, wordt de kleinzielige animositeit tussen Jaap en Thomas tot enigszins mythische proporties opgeblazen. Dan pas komt het verhaal tot leven. Of zou ik moeten zeggen: dan pas voldoet het aan mijn idee van wat klimmen betekent?

Net als in de sport zelf, staat in het schrijven over wielrennen de romantiek onder druk. Al lezende voelde dat als verlies. Het zoveelste demasqué op het levenspad. Ik had het kunnen weten. Het was de romantiek die me Alpe d’Huez op joeg. Boven voelde ik vermoeidheid en voldoening, maar een mythe werd ik niet. Zelfs niet in de context van mijn eigen kleine leven.

Boudewijn Smid: Op de helling. De Arbeiderspers/Sporthuis, 220 blz. € 16,95Radio De Muur. L.J. Veen, 4 cd’s. € 24,95Johan Faber: Alpe d’Huez. Thomas Rap, 269 blz. € 12,50

    • Auke Hulst