Hoogmoed VS komt voor de val

Stel dat alle oproepen van de laatste tijd voor humanitaire interventies waren verhoord. Dan hadden er grootscheepse invasies plaatsgehad in Tibet, Birma (Myanmar), Soedan (Darfur) en Zimbabwe. In deze gebieden voldoen de zittende regimes niet aan de eis van de internationale gemeenschap om verantwoordelijkheid te nemen voor de bescherming van hun burgers. Volgens het in 2005 door de VN aangepaste volkenrecht verliest zo een regime zijn soevereiniteit en komt in aanmerking voor regimewisseling. In Tibet werd achter gesloten deuren een rebellie van de autochtone bevolking door Chinese ordetroepen hardhandig neergeslagen, in Birma weigerden de heersende generaals de slachtoffers van overstromingen te hulp te komen, in Darfur zijn honderdduizenden op de vlucht voor een door de regering geïnspireerde etnische zuivering, in Zimbabwe is sprake van bloedige vervolging door dictator Mugabe van de legitieme oppositie.

Het is er niet van gekomen, behoudens een ingehouden bemoeienis van de Europese Unie met Tsjaad waar vluchtelingen uit Darfur in kampen worden opgevangen. China valt vanzelfsprekend niet in de categorie landen waartegen enigszins geloofwaardig kan worden opgetreden. Verder dan een appèl hier en daar de Olympische Spelen te boycotten en een enkele officiële ontvangst voor de Dalai Lama is het niet gekomen. Peking maakte bovendien een lange neus tegen de critici door de olympische vlam Tibet te laten aandoen. Maar ook de regimes in Birma, Soedan en Zimbabwe zitten kennelijk te vast in het zadel om een van buitenaf opgelegde regimewisseling werkelijkheid te laten worden.

Betekent dit het einde van de humanitaire interventie? Wel volgens de voormalige minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Clinton Madeleine Albright. In een artikel in The New York Times schrijft zij dat de reactie van de wereld op het gedrag van de Birmese junta „de grimmige werkelijkheid van vandaag illustreert”. Totalitaire regeringen zijn volgens haar in goeden doen, hun buren schrikken er voor terug druk uit te oefenen, de idee dat nationale soevereiniteit heilig is wint aan kracht. Een belangrijke oorzaak voor dit ‘rampzalige resultaat’ noemt Albright de Amerikaanse invasie in Irak. ‘Noodzakelijke interventies’ zoals die in het decennium voor die invasie plaatshadden, onder meer in Haïti en de Balkan, lijken onmogelijk in het tegenwoordige klimaat, meent de voormalige bewindsvrouw. Die er vervolgens wrang op wijst dat totalitair regeren overleeft in een tijdperk van wereldwijde communicatie en democratische vooruitgang.

Een brug te ver, lijkt Albright te menen. Na de val van de Berlijnse Muur groeide hoop onder diplomaten en andere deskundigen op het ontstaan van een geïntegreerd wereldsysteem vrij van invloedsferen, waarin ‘de wonden geslagen door koloniale en Koude Oorlog imperiums zouden helen’. In zo een wereld zou de internationale gemeenschap verantwoordelijkheid nemen om in noodsituaties de drempel van soevereiniteit te overwinnen. Albright noemt vervolgens de interventies in Somalië, in Noord-Irak ten bate van de Koerden, in Bosnië, in Kosovo, in Sierra Leone en in Oost-Timor als geslaagde voorbeelden van humanitair tussenbeide komen. Met de interventie in Afghanistan was volgens Albright niets mis. Maar die in Irak veroorzaakte volgens haar een negatieve reactie die de steun heeft verzwakt voor grensoverschrijdende interventies zelfs wanneer deze waardevolle doelen nastreven.

Het lijkt alsof Albright niet zozeer de beslissing tot de invasie in Irak als wel het verloop daarvan verantwoordelijk stelt voor de totale verwarring die zich, zoals zij meent, van ons bewustzijn heeft meester gemaakt. Sommige regeringen hebben wat te verbergen, andere hebben geen vertrouwen in het oordeel van hen die uitzonderingen op de soevereiniteitsregel voorstellen, concludeert de ex-minister.

Dit laatste is overigens geen gevolg van de invasie in Irak. De bereidheid van de NAVO om in Kosovo in te grijpen, stuitte destijds direct op een fundamentele afwijzing in Moskou en Peking, wat een VN-mandaat voor een interventie in die Servische provincie bij voorbaat uitsloot. De Russisch-Chinese weigering kwam voort uit een gebrek aan vertrouwen in de bedoelingen van de NAVO – lees de VS. Hoewel de persoonlijke betrekkingen tussen de presidenten van Amerika, Rusland en China toen redelijk tot goed waren, slaagde Washington er niet in hieruit een eenduidige samenwerking te smeden.

Na Kosovo zijn de wegen uiteengegaan. Enerzijds de democratieën die desnoods ook zonder VN-mandaat aan de slag wilden, anderzijds meer autocratisch ingestelde regimes die vasthielden aan het beginsel van soevereiniteit om hun eigen voortbestaan veilig te stellen.

Als Albright gelijk krijgt en humanitaire interventies tot het verleden zouden gaan behoren, zou het verstandig zijn de belangrijkste oorzaak van die ontwikkeling onder ogen te zien. Albright zelf slaagt daar niet in, maar een volgende Amerikaanse regering zou samen met haar democratisch gezinde partners de zelfgenoegzaamheid en hoogmoed die tot de interventie in Irak leidden moeten afleggen. In voorkomende gevallen zouden zij zich meer gelegen moeten laten liggen aan mogelijke medestanders die niet per definitie onder de indruk zijn van hun goede bedoelingen. Niet alleen politieman van de wereld maar ook wetgever en rechter van de wereld te willen zijn is te veel van het goede.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.

Reageren kan op nrc.nl/sampiemon (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)