Hoeveel is genoeg, Amerika?

‘Environmental writing’ is de grootste bijdrage van de VS aan de wereldliteratuur. Aldus milieu-activist Bill McKibben, die deze stelling overtuigend onderbouwt met een prachtige bloemlezing.

‘Oxford Tire Pile #1’, in Westley, Californië, een foto van Edward Burtynsky Uit besproken boek Burtynsky, Edward

Bill McKibben (ed.): American Earth. Environmental Writing since Thoreau. Penguin Books, 1003 blz. € 40,–

Let op: dit is een boek dat niet de bedoeling heeft de lezer te ontroeren of te imponeren, maar om hem te verontrusten. Het is geen eerbetoon aan het Amerikaanse landschap; geen bloemlezing als The Norton Book of Nature Writing, en geen literaire gids zoals Alfred Kazins A Writer’s America, waarin een overzicht wordt gegeven van hoe het Amerikaanse landschap (‘wild or pastoral or urbanized’) Amerikaanse schrijvers heeft beïnvloed. Het is een boek dat gaat over ‘de botsing tussen mensen en de rest van de wereld,’ en dat ‘indringende vragen stelt over die botsing zoals: is hij noodzakelijk? Wat zijn de gevolgen ervan? Zou er een betere manier kunnen zijn?’

Bill McKibben, samensteller van deze breed opgezette en schitterend uitgegeven bloemlezing, is de auteur van het in 1989 verschenen The End of Nature dat, niet alleen naar eigen zeggen, het Amerikaanse publiek voor het eerst op de gevaren van de opwarming van de aarde attent maakte. Hij is een van Amerika’s bekendste auteurs op dit gebied en een vooraanstaand milieuactivist en het is misschien deze reputatie die hem in staat stelt in zijn inleiding enkele stevige en discutabele statements te maken. Zo schrijft hij dat environmental writing, zoals door hem hierboven gedefinieerd, ‘Amerika’s karakteristiekste bijdrage is aan de wereldliteratuur’. In zijn inleiding stelt hij verder dat ‘aan elke vooruitgang in milieuprocedures een boek voorafging’. De Burgeroorlog zou er ook wel gekomen zijn zonder De Negerhut van Oom Tom, zo beweert hij met een breed armgebaar, maar elke vooruitgang op het gebied van milieuwetgeving begon met een boek – Rachel Carsons Silent Spring als bekendste voorbeeld.

De jury is nog steeds in beraad over de juistheid van deze beweringen, maar ze onderstrepen McKibbens keuze voor programmatische en activistische bijdragen (in zijn voorwoord komen woorden als ‘gevecht’, ‘oorlog’ en ‘strijd’ opvallend om de activiteiten van hemzelf en zijn medestanders te omschrijven.)

Amerikanen hebben altijd een naar extremen neigende verhouding gehad tot de door hen onderworpen omgeving. Enerzijds werd de ontzagwekkende schoonheid van het land dat ze tot het hunne maakten gezien als een godsbewijs; het was een land dat ‘ongerept uit de hand van de schepper kwam’ en het kostte geen ingewikkelde redenatie om vervolgens te concluderen dat het God’s own country was.

Aan de andere kant kwam het land op de eerste, simpele settlers over als een howling wilderness die angst inboezemde, maar er ook als het ware om vroeg onderworpen te worden. Dat ‘onderwerpen’ en de mate waarin dat is gebeurd vormen het centrale thema in al deze bijdragen en dat leidt tot de verontrustende vragen en prognoses.

Ter onderstreping van de eerste van zijn bovengenoemde stellingen – ‘God’s own country’ – draagt hij aan dat het ‘alleen op dit continent was dat de Cultuur volledig bij bewustzijn was terwijl de Economie aan het werk ging om de Natuur op zijn knieën te krijgen.’ De Oude Wereld (Europa, Azië) onderging enorme ecologische veranderingen voordat er zelfs maar mensen waren die boeken schreven. In Amerika hadden die veranderingen plaats terwijl er al mensen waren die erover nadachten of die allemaal wel zo verstandig waren.

Het boek begint bij Thoreau en het zijn de vragen die hij stelt (‘Hoeveel is genoeg?’ en ‘Hoe weet ik wat ik werkelijk nodig heb?’) die nog steeds de basis vormen voor het scala aan milieuverdedigers dat in Amerika actief is en dat hier aan het woord komt. Een van de grote verdiensten van American Earth is de variëteit van het door McKibben verzamelde materiaal. Het bevat baanbrekende essays als Carsons Silent Spring, dat de basis vormde voor de wetgeving om het gebruik van pesticiden aan banden te leggen) en Al Gore’s toespraak op de klimaatconferentie in Kyoto in 1997. Maar ook lichter maar niet minder interessant materiaal, waaronder teksten van zangers als Marvin Gaye (What about this overcrowded land? / How much more abuse from man can she stand?) en Joni Mitchell (het verraderlijk lichtvoetig klinkende ‘Big Yellow Taxi’ met de regels They paved paradise / Put up a parking lot). De tekst van Woody Guthries bekende en zo lang verkeerd begrepen This land is your land (geschreven als antwoord op Irving Berlins bombastische God Bless America) staat er ook in, evenals, tot mijn grote plezier, A Short History of America, de bekende strip van Robert Crumb, bekend als de vader van de undergroundcomic.

Een verrassende bijdrage is verder die van wijlen president Lyndon B. Johnson. De toespraak dateert uit 1965 en werd gehouden ter gelegenheid van het tekenen van de Highway Beautification Act, een pet project van zijn vrouw Lady Bird. Johnsons opmerkingen bij die gelegenheid gaan echter veel verder dan bezorgdheid om de vervuiling van de snelwegen en aanpalende gebieden. Na gezegd te hebben dat de regering geen aandrang voelt de industrie, particuliere bedrijven of welke andere groepering ook te straffen, vervolgde de president: ‘Maar we gaan ze ook niet toestaan hun particuliere doelen op te dringen aan wat wij gemeenschappelijk beheren. Schoonheid behoort alle mensen toe. En zo lang ik president ben, zal wat goddelijk aan onze natuur gegeven is niet roekeloos door de mens worden weggenomen.’ Het lijkt, na meer dan zeven jaar George W. Bush en de systematische ontmanteling van een milieubeleid dat tot aan Reagan op een brede consensus leek te berusten, taal uit een heel, heel verre wereld.

Wat men McKibben zou kunnen verwijten is dat hij in deze bloemlezing weinig ruimte duldt voor tegenspraak. Hoe groot ook mijn instemming met bijna alles wat hier is verzameld, ik zou wel eens een polemiek willen lezen met bijvoorbeeld Simon Schama, die in zijn Landschap en herinnering oppert: ‘Hadden we liever gehad dat Yosemite, ondanks al die drukte en al die afbeeldingen, nooit zou zijn gevonden, in kaart gebracht, tot park gemaakt? [...] Terwijl we inzien dat de inwerking van de mensheid op de ecologie van de aarde geen onverdeelde zegen is geweest, is de lange relatie tussen natuur en cultuur ook geen voortdurende en voorbeschikte ramp geweest.’

Maar de overdaad aan even overtuigende betogen aangaande het verlies van biodiversiteit, de gevaren van de opwarming van de aarde en al het andere dat we onszelf willens en wetens aandoen, stemt na lezing van deze lijvige bloemlezing vooral tot reflectie. Michael Pollans analyse van de idiotie van de hedendaagse koeien-oppompindustrie waarbij ze afval van hun eigen voorvaderen te eten krijgen, zou misselijkmakend zijn als hij het niet zo koel had opgeschreven. Met zo’n bijdrage achter de kiezen is het moeilijk uit te maken wat je, als modale lezer, het meest verontrust. Sandra Steingrabers relaas over de opbouw van dioxine in moedermelk, of David Quammens (auteur van Song of the Dodo) angstaanjagende relaas ‘Planet of Weeds’, waarin hij ons voorhoudt dat in een niet eens zo verre toekomst ‘wildernis een woord zal zijn dat alleen nog maar gebruikt zal worden met betrekking tot stedelijke onrust. Leeuwen, tijgers en beren zullen in dierentuinen wonen, punt uit.’

Is dat erg? Als we de planeet in stand houden voor onszelf, zonder hinderlijke andere species om onze dominantie te verstoren, gezien het feit dat we die al grotendeels uitgeroeid hebben? Het is misschien wel de belangrijkste morele vraag van onze tijd en een die, zoals Quammen aantoont, met ons overleven samenhangt. Het debat erover krijgt religieuze trekjes in bijvoorbeeld de bijdrage van de eminente romanschrijfster Barbara Kingsolver, die na een gepassioneerde beschrijving van het uitzicht vanuit haar schrijfkamer bijna vermoeid toegeeft: ‘Ik veroorloof me je iets te vertellen dat ik niet rationeel kan bewijzen maar in plaats daarvan als een religieus gevoel ervaar. Ik kan niets anders geloven.’

McKibben besluit zijn inleiding met de hoop dat dit boek de laatste bloemlezing van environmental writing zal zijn omdat de inzichten van de hier verzamelde auteurs misschien ooit mainstream worden. Ik help het hem hopen, zoals ik hoop dat deze gepassioneerde bloemlezing in elk geval een factor zal zijn in het overtuigen van menig lezer.

    • Jan Donkers