Het groen gaat op oorlogspad

Gazons zijn de natuur, maar dan gezuiverd van seks en dood. Geen wonder dat alle Amerikanen er zo dol op zijn. Ze geven er miljarden aan uit. Alle Amerikanen?

Een sterk afwijkende voortuin in Lakewood, Californië Uit besproken boek ‘Edible Estates: Attack on the Front Lawn’

Fritz Haeg: Edible Estates. Attack on the Front Lawn. Metropolis Books, 126 blz. € 21,–

Richard Reynolds: On Guerrilla Gardening. A Handbook for Gardening Without Boundaries. Bloomsbury, 255 blz. € 25,–

Oorlog aan het gazon! Als het aan de Amerikaanse architect en kunstenaar Fritz Haeg ligt is het gedaan met dit nutteloze, zelfvoldane, milieuvijandige symbool van het burgerlijke leven in de buitenwijk. Met zijn ambitieuze project Edible Estates, wat zoveel betekent als ‘eetbare landgoederen’, neemt Haeg het gazon letterlijk op de schop: in een aantal steden in de Verenigde Staten heeft hij mensen ertoe geïnspireerd het gras voor hun huis te vervangen door een moestuin. ‘Dit is een onafhankelijk kunstproject dat een beweging aan het worden is’, schrijft hij in zijn boek Edible Estates: Attack on the Front Lawn.

Het groen wordt militant: het probeert het asfalt te verdringen en het aanzien van de stad veranderen. Dat is precies wat de Engelsman Richard Reynolds voor ogen staat met zijn guerrilla gardening, een begrip dat in 1973 in New York werd bedacht en dat hij nieuw leven inblaast.

Reynolds begon zelf met guerrillatuinieren op een nacht in oktober 2004. Hij was in een torenflat in een stenige wijk van Londen gaan wonen, en bedacht dat hij zijn verlangen naar een tuin kon botvieren op de sneue plantenbakken beneden. Nu trekken hij en zijn cohorten bij nacht en ontij erop uit, gewapend met schoppen, zakken aarde, ‘zaadbommen’ en bloembollen om verwaarloosde openbare ruimte te beplanten. Hoewel de geheime tuiniers de stad verfraaien, wordt dat ze door autoriteiten meestal niet in dank afgenomen.

Guerrillatuinieren mag intussen met recht een beweging heten: op een wereldkaart in Reynolds’ pas verschenen boek On Guerrilla Gardening: A Handbook for Gardening Without Boundaries, worden bijna negentig steden genoemd – waaronder Amsterdam en Rotterdam – waar groene guerrilleros actief zijn. Een van hen is Reynolds’ moeder Jane, die net als de andere ‘strijders’ wordt aangeduid met haar voornaam en troop number.

Het mooiste stuk in Edible Estates is van gastauteur Michael Pollan, een gezaghebbend en kritisch schrijver over voedsel. Droogjes haalt hij het Lawn Institute aan – nooit geweten dat zoiets bestond – dat heeft becijferd dat Amerika jaarlijks 30 miljard dollar aan gazons besteedt. Dit heeft volgens hem evenveel met tuinieren gemeen als met het in de was zetten van een vloer. „Gazons zijn natuur, maar dan gezuiverd van seks en dood”, aldus Pollan. „Geen wonder dat Amerikanen er zo dol op zijn.”

In de VS wordt er volgens Haeg meer gras geplant dan welk ander gewas ook. Het wordt in stand gehouden met pesticiden en onkruidverdelgers. Dit destructieve show-landschap wil hij vervangen door een productief. Veel mensen die voor hun huis een edible estate aanlegden, merkten dat dit argwaan en boosheid wekte. Dat komt, schrijft hij, doordat ‘het gazon de eerste verdedigingslinie is tussen het gezin en de buitenwereld, die fysiek en psychologisch de wildernis, de stad en vreemden op een veilige afstand houdt’. Anderen kregen juist contact met hun buren, die zich soms als vrijwilliger aanboden.

Sinds het begin van het project in 2005 zijn er inmiddels zes ‘regionale prototype tuinen’, waarvan vijf in de VS en één, een gemeenschappelijke tuin in een complex met sociale woningbouw, in Londen. Op één na zijn ze tot stand gekomen als onderdelen van Haegs kunstprojecten. Op de Whitney Biënnale in New York eerder dit jaar lanceerde hij zijn nieuwste project, Animal Estates, waarop hij in september een vervolg organiseert bij kunstcentrum Casco in Utrecht.

Naast edible estates en guerrilla gardening zijn er meer vormen van groen activisme. Inwoners van de Amerikaanse stad Cleveland, Ohio, doen aan ‘asfalt-tuinieren’. Ze laten het asfalt zitten, daaronder zit immers allerhande smerigheid, en zetten er bakken met planten bovenop. Die leveren verse groenten, vangen regenwater op dat anders zou wegstromen en dringen het verhittende effect van zwarte asfaltvlakten terug. En de alternatieve site www.alternet.org verspreidde een pleidooi van een auteur uit Vancouver, ‘Parking Spot to Garden Spot’, die had uitgerekend dat het beplanten van een aantal parkeerplaatsen alleen al in zijn straat, groenten voor 22 mensen zou opleveren. Al is het de vraag of die met het oog op bodemvervuiling en uitlaatgassen gezond zijn.

Natuurlijk zijn de moestuinen van Haeg en de nachtelijke expedities van Reynolds op zichzelf marginaal. Parkeerplaatsen zijn nog lang niet weg en het oer-Amerikaanse gazon evenmin. Het is ook maar de vraag hoe lang moestuinen onderhouden worden, als de nieuwigheid eraf is en je in de supermarkt je tomaten kunt kopen – of je frites en cola, de basis van menig Amerikaans kinderdieet. Wel is guerrilla-groen onderdeel van een veel grotere maatschappelijke discussie over onze relatie tot ons eten, over overgewicht en urban food deserts in arme wijken. De ideeën alleen al zijn prettig subversief. Tuinieren is een politieke daad geworden.

Zie http://buzzfeed.com/scott/guerrilla-gardening voor filmpjes van guerrilla gardeners in actie en in confrontatie met de politie.