Het gemis der belletrietjes

Vijf eeuwen geschiedenis van de landbouw blijken vooral in het teken te staan van verandering. Van weer, water, droogte en ongedierte. Waar is de boer met zijn beslommeringen gebleven?

Een melkmachine in actie bij een Normandische koe Foto Mychèle Daniau Une trayeuse recueille le lait d'une vache normande le 13 août 2007 à Douville-en-Auge dans le Calvados. A milking machine takes the milk of a Normandy's cow, 13 August 2007 in Douville-en-Auge, Normandy. AFP PHOTO MYCHELE DANIAU melken uiers AFP

Jan Bieleman: Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-2000. Boom, 650 blz. € 49,50

Zaaien, wieden en oogsten, fokken, melken en slachten, planten, snoeien en plukken. Hoeveel eeuwen doen we het al? We zaten op een boek te wachten dat ons alles eens haarfijn zou laten overzien. Landbouwhistoricus Jan Bieleman schreef zo’n boek: Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-2000. Deze titel roept een vraag op. Begon de landbouw pas in 1500? Bieleman weet natuurlijk wel beter. Maar je moet ergens beginnen.

In de inleiding van Boeren in Nederland zegt de auteur dat hij een misverstand wil opruimen. Vóór het begin van de mechanisatie rond 1850 zou de boer zich eeuwenlang koppig hebben gehouden aan hoe vader en grootvader het hadden gedaan. Wat betreft de merkwaardige gewoonte om voor de pittige nasmaak schapenmest toe te voegen bij het maken van kaas uit afgeroomde melk (van 1600 tot in de 19de eeuw) mag men inderdaad van een hardnekkige boerengewoonte spreken.

Maar voor het overige blijkt het boerenbedrijf voortdurend in verandering: de boerderij zelf, omdat men vee en voer dichter bij elkaar wilde brengen, wat rond 1700 bijvoorbeeld tot de geconcentreerde, Friese stjelp-boerderij zou leiden. Vooral het boerenbeleid bleef en blijft nooit helemaal hetzelfde. Veeboeren fokken aanhoudend met het oog op grotere melkproductie, akkerbouwers zijn voortdurend in de weer met bijvoorbeeld het oplossen van het braakprobleem, het onbebouwd laten van percelen om uitputting van de grond te voorkomen. Men zaait klaver ‘onder’ de rogge, ploegt dit na de roggeoogst onder, waardoor een vorm van bemesting plaatsvindt, rijdt steeds meer dierlijke mest uit en experimenteert met alle mogelijke stoffen, tot in de 19de eeuw dan eindelijk de moderne kunstmest wordt geïntroduceerd.

De invoering van de genoemde klaver betekende ook een belangrijke vernieuwing in het boerenbedrijf. Klaverhooi is bijzonder voedzaam, het remt de groei van onkruid, de klaverplant heeft het vermogen luchtstikstof te binden tot een vorm die gewassen kunnen opnemen. Van onschatbaar belang is ook de invoering van de aardappel als landbouwgewas, schoorvoetend vanaf 1700, maar vooral dankzij de hoge graanprijzen vanaf de winter van 1739-1740 grootscheeps aangeplant. Toen in 1845 de aardappelziekte uitbrak, was men intussen zo afhankelijk van dit gewas dat terstond hongersnood uitbrak. Pas in 1885 zou de Fransman Millardet ter bestrijding van deze schimmelziekte een middel vinden, de Bordeauxse pap.

Onder invloed van alle mogelijke omstandigheden, zo betoogt Jan Bieleman, is er vrijwel nooit sprake van vastigheid in de landbouw. Er is natuurlijk de wisselvalligheid van het weer, daarmee ook van water, droogte, ongedierte. Een ander element zien we bijvoorbeeld bij het einde der gloriedagen van de hopteelt: de menselijke smaak. Halverwege de 17de eeuw daalt de vraag naar bier, dat terrein prijs moet geven aan cacao, koffie en thee en vooral jenever. Wat zal de boer nog hop verbouwen?

De aardappel vult de vrijkomende akkers. Contractie en expansie, zo zegt Bieleman – uitbreiding en inkrimping in gewoon Nederlands – wisselen elkaar om de zoveel jaren af. Boeren spelen in op steeds veranderende omstandigheden. Nu ja, dat hadden we eigenlijk ook al gedacht. Bij het lezen van Bielemans deden zich eerlijk gezegd toch heel erg weinig momenten voor waarop ik dacht: ‘Hee’.

Ook het Ha-gevoel heb ik bij Boeren in Nederland node gemist. Dat hangt sterk samen met de manier waarop Bieleman geschiedenis bedrijft. Ik raakte daar niet opgetogen over, terwijl ik naar dit boek had uitgekeken. Misschien is deze zin uit zijn boek wel tekenend: ‘Zonder het schapeneiland Texel telde men in 1811 in Noord-Holland 113 schapen op elke 100 volwassen runderen; in Zuid-Holland bedroeg die verhouding slechts 13 (!) op 100 en in Friesland 76. (Vergelijk ook de gegevens in > tabel 2.14, p. 228-229 en > kaart 2.6, p. 230) 208.’

Dit is geen proza dat de verbeelding aan het werk zet. Nu wordt Jan Bieleman gerekend tot de Wageningse school van agrarisch historici die nadrukkelijk werken met getalsmatige gegevens als lonen, belastingen, kosten en prijzen. Deze aanpak namen ze over van de Franse Annales- school. Bielemans voorganger B.H. Slicher van Bath was de eerste die de Annales-methode op de vaderlandse agrohistorie losliet, in zijn Agrarische geschiedenis van West- Europa 500-1850 (1960).

Ook Slicher van Bath haalt liefst bij elke keuterboer, schapenhouder, veehouder, bloemkoolspitter, appel- en peren- en kersenboomgaardenier een grafiek tevoorschijn. Het lijkt soms zelfs alsof hij wil laten zien hoeveel soorten grafieken en cijferstaatjes er in de wereld bestaan. Maar bij Slicher vinden we aanstekelijk plezier, hij is een homo ludens in zijn grafiekenmanie.

Slicher begon als archivaris en dat is goed te merken. Zijn tekst is erudiet, behendig ook weet hij te spelen met de vele bronnen die hij gebruikt. Hij benadert zijn onderwerp hoe dan ook minder begrensd dan Bieleman. Eigenlijk moet ik zeggen: minder eng en benauwd. Want gaande de pagina’s van Bielemans Boeren in Nederland ga je als lezer naar lucht happen. Geen spoor van spel in dit doodserieuze boek, er zit geen greintje poëzie in, het is geschiedschrijving langs de smalle weg. Waarom niet eens een dichter aangehaald, Staring bij voorbeeld, als er sprake is van een mollenplaag: ‘Een spitsgeneusd, breedhandig dier,/ Dat groeide tot een legermagt;/ Dat viel mij aan, met alle kracht;/ En hoog en laag werd omgewroet.’

Nu hoef je wat mij betreft als landbouwhistoricus geen bloemlezing van akker- of veepoëzie te geven. Bovendien bestaat er al zoiets: P.J. Meertens’ De lof van den boer (1942). Maar geschiedenis hoeft toch niet zo saai te zijn als Bieleman het maakt? Landbouwhistorici mogen zich bovendien ook zelf wel eens een klein belletrietje veroorloven. Zo noteerde ik een mooie eigendommelijkheid uit Volkert J. Nobels Westfriese veefokgeschiedenis Verdwenen water, gewonnen melk (1968): ‘Geeft de akker wat hem toekomt, dan is hij altoos dankbaar.’ Ik vond een dramatische episode in Honderd jaar landbouwmechanisatie in Nederland (1983) door J.M.G. van der Poel, toch een onverwachte plaats: ‘Bij de eerste proefrit bij de Badhoeve zakte de stoomploeg drie voet diep in de veldweg, maar kon na drie uren tobben met behulp van zijn anker op eigen kracht worden verlost.’

Dramatischer nog de jammerklacht van Doeke Wijgers Hellema, de Friese boer die in het hooiarme jaar 1829 noteert: ‘Op het oogenblik zie ik die goede beesten nog weiden en zulk een kwantiteit van melk vergaderen, daar zij aanstaande week en opvolgende naar de slachtbank zullen gevoerd worden, het jammert mij, maar wat zal ik zeggen!! De hand op de mond leggen en zwijgen!!’

Menselijkheid van dit type vinden we nauwelijks in Boeren in Nederland. Doodzonde. Wat mij verder verbijstert, is dat in de lange lijst van gebruikte boeken achterin de titel ontbreekt, die boer noch landbouwhistoricus mag missen: het veeldelige standaardwerk Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen door J. Buisman. Buisman is van de brede weg der historici en schroomt niet in zijn uitwaaieren bij voorbeeld ook de opmars van de aardappel op de voet te volgen. ‘De aardappel verbreidt zich vanaf 1670 met een snelheid van een half uur gaans per jaar door Vlaanderen, en stuit kort na 1700 op de grenzen van de Nederlandse Republiek.’ Bieleman had zo een fijn grafiekje van de volgende Buisman-info kunnen maken: de aardappel komt aan in Cadzand (1697), Bemmel (1699), de Friese veengebieden (1700), Groningen (1700), Amsterdam (1712), Achterhoek, Veluwe, Zuid-Overijssel (1715), Zeeuwse eilanden (1725), Kop van Overijssel (1750), en gezien het zuidelijke vertrekpunt opmerkelijk genoeg Limburg (1751).

Misschien had ik de ondertitel van Boeren in Nederland als waarschuwing moeten beschouwen. Bieleman treedt pas in 1500 aan, terwijl Slicher van Bath al in 500 uit de veren is. Zelfs dat is eigenlijk niet matineus genoeg. Want gedroomde landbouwgeschiedenis begint natuurlijk met het moment dat de eerste prehistorische nomade besluit een eigen tuintje te beginnen. De eerste boer. In die zin ben ik Jan Bieleman dankbaar. Hij hield de droom levend van eens te oogsten van de akker die nu deels nog steeds braak ligt.