Halverwege

Ik wilde mijn ouders vertellen over het prachtige boek dat ik had gelezen tijdens een treinreis. Het was lang geleden dat ik zo lang aan één stuk had gelezen. Meer dan vijf uur liet ik glijdend landschap aan mijn zij voorbijtrekken. Ik merkte in mijn ooghoeken op dat er iemand bij kwam zitten in de coupé; soms ging er iemand weg. Maar de overheersende, gelukzalige sensatie was dat ik ergens anders was, ergens halverwege het vluchtige landschap en de wereld die werd opgeroepen door de pagina’s in mijn hand.

Toen ik de titel wilde noemen van het boek dat zoveel indruk op me had gemaakt, werd het leeg en licht in mijn hoofd, alsof iemand in een verduisterde kamer opeens de gordijnen opentrok. Ik zag nog net een vanillekleurig boek voor me, met een groene band waarin de naam van de auteur stond gespeld, maar het was alsof alle woorden als beelden op een overbelichte foto waren weggevaagd.

„Was het een Engels boek?” vroeg mijn vader, maar in mijn gedachten bleef het bleek en woordenloos. Ik wist zelfs geen antwoord te geven op de vraag waar het boek ongeveer over ging. Het enige wat in me opkwam waren vage contouren van een vrouw. Tot mijn grote frustratie kon ik niet met zekerheid zeggen of ik de contouren van mijn moeder een plek had toegedicht in mijn geheugen. Of was ik het zelf die daar invulling stond te geven aan een zich als inkt in water uitwassende leegte? Hoe is het mogelijk dat een boek waar ik me uren in heb verdiept, een boek waar ik zelfs goede herinneringen aan meen te hebben, volkomen zoekraakt in mijn geheugen?

Niet alleen mijn geheugen, maar ook de kamer waarin ik me bevond scheen me nu onberekenbaar. Zou de kamer er nog wel zijn als ik even wegkeek, en wat zou ervan overblijven als ik het huis verliet en er later aan zou proberen terug te denken? Mijn moeder verliet de kamer en om haar niet te zien verdwijnen overwoog ik haar achterna gaan. Gelukkig was ze al gauw weer terug. Via haar kalme handen die zorgvuldig borden ten opzichte van elkaar plaatsten op tafel, vloeide er een herinnering aan een verhaal in mijn hoofd. Ik wist weer om welk boek het ging: Garden, Ashes van Danilo Kiš.

De schrijver wijdt bij de opening van het boek anderhalve pagina aan een dienblad in zijn moeders handen. Zij draagt het dienblad, maar het dienblad draagt ook zijn moeder. Want terwijl hij het dienblad minutieus omschrijft, geeft hij een haarscherp portret van de vrouw, zonder direct aan haar te refereren.

Tiny decorative protuberances – a whole chain of little metallic grapes – had been impressed on the upper edge of the rim. Anyone holding the tray (usually my mother) was bound to feel at least three or four of these semicylindrical protruberances, like Braille letters, under the flesh of the thumb.

Toen ik de uitweidingen over het dienblad las, wenste ik dat het boek niet verder ging. Dit dienblad draagt niet alleen een moeder, maar ook een huis en de mogelijkheden van een wereld daarbuiten, waarin het mogelijk is om ergens halverwege te bestaan:

Without opening my eyes, I knew from the crystal tinkling of teaspoons against glasses that my mother had set down the tray for a moment and was moving toward the window, picture of determination, to push the dark curtain aside.