Een vermoeden van levende wezens

Weilanden, boompartijen en rietkragen waren het domein van de landschapschilders. Langzaam werden zij verdrongen door de fotografen. Die blijken net zo goed te manipuleren en abstraheren.

‘Vroege ochtend aan zee’ (foto) en ‘De Vestingwal in Grave’, foto's van Cas Oorthuys, en (onder) het schilderij ‘Rode Koetjes’ (50,5 bij 60 cm) van Jan Altink uit 1927 Uit resp. ‘De schoonheid van ons land', Contact, en (onder) ‘De ontdekking van Nederland’, Nai Uitgevers Rotterdam strandstoelen Oorthuys, Cas

Maartje van den Heuvel en Tracy Metz (red.): Nature as Artifice. New Dutch Landscape in Photography and Video Art. Nai Publishers. 288 blz. € 52,–

Cas Oorthuys: De schoonheid van ons land. Deel I De Steden; Deel II Het Water. Contact, 156 en 158 blz. elk deel € 24,95

Henk van Os e.a. (samenst.): De ontdekking van Nederland. Vier eeuwen landschap verbeeld door Hollandse meesters. NAi Publishers, 128 blz. € 24,95

Is het landschap weer in trek? Dat moet wel, anders zou voor dit themanummer van de bijlage Boeken geen reden zijn geweest. Bovendien wordt het ons zwart op wit verzekerd in één van de landschapalbums die zijn uitgegeven in het kader van de eerste Internationale Triënnale Apeldoorn, ‘100 dagen cultuur, tuin en landschap’. Het album heet Nature as Artifice, ondertitel ‘New Dutch Landscape in Photography and Video Art’. En de eerste zin (van het voorwoord) luidt: ‘The landscape is in vogue. People in the arts as well other disciplines are increasingly interested in the experience and perception of the landscape, the role that art and media play in this regard, and the increasing impact of human beings on our natural environment’.

Iets te veel modewoorden misschien, maar dat schijnt onvermijdelijk te zijn bij zaken die ineens, of opnieuw, en vogue zijn gekomen. In de taal van de STER wordt tegenwoordig niet alleen de duurzaamheid van verwarmingsketels aanbevolen, maar ook die van flanelletjes en snoepgoed. De stelling van Nature as Artifice blijft vermoedelijk nog een poosje even actueel als de film van Al Gore. Het landschap is vooral weer in de mode geraakt, omdat we het wegens een bedreigd Milieu moeten koesteren als de spaarlamp van minister Cramer.

Duurzaam is overigens niet het eerste woord dat je te binnen moet schieten als je het over het Nederlandse landschap hebt. Integendeel. Heel Nederland is zoals we weten, en ook graag verkondigen, een schepping van Nederlanders. Alle nattige onherbergzaamheid waartoe de Natuur het land had veroordeeld, is door de bewoners in de loop der eeuwen bedijkt, drooggemalen, verpolderd, aangeharkt, vernuttigd, en veraangenaamd. Bijna niets van wat 17de-eeuwse Hollandse meesters hebben geschilderd aan boompartijen, weilanden, rietkragen, bospaden, en vergezichten bestaat nog zoals zij het toen ‘naar de natuur’ hebben geschilderd, en als ze honderd of tweehonderd jaar eerder of later op dezelfde plaats achter hun ezel waren gaan zitten, zouden ze ook weer heel andere boompartijen, weilanden, rietkragen, bospaden en vergezichten hebben gezien. In geen land ter wereld is om allerlei redenen (oorlog, landbouwbeleid, grondpolitiek, ruimtelijke ordening, bevolkingstoename, eigenwijsheid) zo permanent en zo drastisch in de natuur ingegrepen als in Nederland.

De titel van Nature as artifice geeft dat aardig aan: Het Hollandse landschap is artificieel én dubbelzinnig, het brengt vormen van gezichtsbedrog teweeg omdat je het haast onder je ogen kunt zien veranderen.

De landschapsfotografen uit wier werk is gekozen (het zijn er bij elkaar twintig, onder wie Aarsman, Kocken, Van der Meer, Princen en Zwakman) zijn geen debutanten. De meesten hebben eerder geëxposeerd, maar het is des te boeiender om ze bij elkaar te zien in een boek dat vijf heel leesbare, ‘algemene’ essays telt en verder korte karakteristieken van de fotograferende deelnemers. Zulke albums – vaak gedoemd om op salontafels te blijven pronken – moeten het hebben van een eigentijdse, liefst wat uitdagende, in het oog springende lay-out en schitterende prints. Nature as artifice stelt de lezer/kijker op die punten niet teleur.

Voor zover het Nederlandse landschap niet al te kunstmatig en dubbelzinnig was, heeft een aantal van de uitverkoren fotografen daar nog een verrassend schepje bovenop gedaan door inkadering, standpuntkeuze of met de hulp van de locatie zelf de figuratieve werkelijkheid in de buurt te brengen van non-figuratieve voorstellingen. Luchtfoto’s van piepjonge aanplant of een vers geploegd veld zijn op die manier nauwelijks meer te onderscheiden van abstracte schilderijen, en dat blijkt bij iemand als Gerco de Ruyter ook een welbewust, dus zeg maar een ‘artificieel’ streven te zijn.

‘De Ruyter houdt het meest van foto’s die abstract lijken maar die bij nader inzien herkenbare elementen bevatten’, lezen we in het album, en ook: ‘Uit de lucht gezien blijkt het Hollandse landschap in hoge mate gestructureerd te zijn, en de mooiste geometrische patronen op te leveren’.

Hier is dus sprake van artistieke ingrepen in de natuur, van fotografen die hun eigen Mondriaans scheppen, van loutere kunstfotografie. Maar waar begint die?

Ik bladerde door De schoonheid van ons land, één van vier boeken met foto’s van Cas Oorthuys die uit de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw dateren, en die door Contact, de oorspronkelijke uitgever, weer, goed gereproduceerd, in de handel worden gebracht. Daar troffen me een stuk of dertig vooroorlogse, hoge (soms voor twee personen bedoelde), half door de vloed omspoelde rieten badstoelen op een volstrekt leeg strand – genomen vanaf het duin, dus net niet vanuit een vliegtuigje, maar wel hoog. Op het eerste gezicht zeker zo abstract als het veld aanplantstammetjes van Gerco De Ruyter, maar Oorthuys heeft het geen moment non-figuratief willen laten lijken, anders had hij er niet ‘Vroege ochtend aan zee’ bij geschreven. Bij hem kom je ook een plas tegen die helemaal onzichtbaar is geworden onder het wit van waterranonkelsterren, of een zwart vijveroppervlak waarin het wemelt van goudkarpers – ook al bijna abstractie geworden werkelijkheid. Maar we noemden het op z’n hoogst foto’s van een kunstgevoelige ambachtsman, niet van een kunstenaar.

Cas Oorthuys, die leefde van 1908 tot 1975, begon als de ‘arbeidersfotograaf’ die in de jaren dertig eindeloze rijen werklozen voor een stempellokaal vastlegde, of politie-agenten die relletjes uit elkaar knuppelden, of gezinnen die uit hun huis werden gezet omdat ze de huur niet konden betalen. Fotografie, vonden hij en zijn medestanders, moest sociaal bewogen zijn en deel uitmaken van de sociale strijd. Hoe meer ideologische veren hoe beter. Kunst was luxe. In de oorlogs- en bezettingsjaren maakte hij pasfoto’s voor vervalste persoonsbewijzen, zat korte tijd in kamp Amersfoort, en kreeg van zijn uitgever alvast zeer civiele voorschotten voor foto’s die pas na de oorlog gepubliceerd konden worden.

Twee van de vier oude Schoonheid-van-ons- land-delen zijn herverschenen: De Steden en Het Water. Het fascinerendste eraan is natuurlijk dat ze beelden oproepen van een land dat niet meer bestaat, waar je waterkanten ziet die zijn verdwenen, spoorbruggen als artefacten, een enkele auto waarvan je je niet kunt voorstellen dat ze ooit hebben kunnen rijden, en een jonge vrouw op een zeilboot die intussen dood moet zijn, of onherkenbaar verschrompeld. Het op één na fascinerendste is de bijna consequente afwezigheid van mensen; vandaar dat die ene jonge vrouw onmiddellijk opvalt. Er is uiteraard steeds een vermoeden van levende wezens – op boten die de Nieuwe Maas afvaren, in de molens bij Lekkerkerk, ergens binnen Huize Rupelmonde aan de Vecht. Maar Oorthuys lijkt de mensen uit de weg te zijn gegaan, en liefst voor dag en dauw op stap te zijn gegaan om een strand met lege rieten badstoelen te fotografen, liever dan tot ’s middags te wachten om het er te zien krioelen van badgasten. Alsof hij vooral stillevens wilde fotograferen. In Rotterdam (dat zijn stad was) legde hij kades, kranen en kokmeeuwen vast als delen van een industrielandschap. Maar amper een Rotterdammer.

De wind moet bij Oorthuys altijd uit het noordwesten zijn gekomen – niet uit het zuiden, vanwaar meestal impressionistische half-scherpte binnenwoei. Al zijn horizonnen waren scherpgerand, aan vaagheid had hij een broertje dood. In het album Steden kon hij de bewoners moeilijk helemaal wegretoucheren, maar hij heeft z’n best gedaan. Kijk naar z’n gevelrij aan de Amsterdamse Herengracht, of naar de brug op de hoek van de Leidsegracht: alle huizen – als in de beroemde film van Bert Haanstra – haarscherp gespiegeld in het water, maar nergens een auto, nergens een mens. Die plekken in de stad zijn er misschien nog steeds, maar zelfs op een onchristelijk vroege zondagochtend wordt het bevrijdende zicht er op belemmerd door geparkeerde auto’s, reclameborden en woonboten – dus ze zijn er niet meer.

Zou Oorthuys, ook als hij niet langs de waterkant liep, maar in een stedelijk centrum, het gevoel hebben gehad dat hij landschap fotografeerde?

Landschap is zeker in de Nederlandse kunstgeschiedenis altijd met schilderen geassocieerd geweest: met Hobbema, Ruysdael, Avercamp, Van Goyen, en in later jaren en eeuwen nog met Lafargue, Schelfhout, Rochussen en Jacob en Matthijs Maris. Aan het eind van de 19de eeuw was het afgelopen: de fotografie was een te grote concurrent geworden, het landschap zou langzaam maar zeker het domein worden van de zondagschilder, de ‘echte’ artiest verloor zijn belangstelling, of ontfermde zich over de natuur in abstracto.

Het verschil tussen de homo novus die fotograaf heette en de oude schilder, lag eerst en vooral in de omstandigheid dat de laatste zich altijd, en de eerste zich nooit mocht beroepen op z’n verbeelding. De fotograaf beschikte over een apparaat dat de ‘kopieerlust des dagelijkschen levens’ volmaakt kon bevredigen, dus wat hij maakte was niet een product van hem of zijn fantasie, maar van een toestel dat hij wist te bedienen, en dat een werkelijkheid kon reproduceren aan de betrouwbaarheid waarvan niet getwijfeld kon worden.

De fotograaf was een technicus, de schilder bleef een kunstenaar – en het landschap kwam er voorlopig bekaaid van af, omdat een laat-19de eeuwse fotografengeneratie van alles wilde fotograferen, maar voorlopig liever geen boompartijen, weilanden, rietkragen, bospaden en vergezichten, want dat hadden de schilders al allemaal gedaan.

Als om te bevestigen dat het landschap weer helemaal terug is, stelden Henk van Os, Huigen Leeflang en Jenny Reynaerts een expositie samen die figureert op de Apeldoornse triënnale, en die ze lieten vergezellen van een boek annex catalogus. Titel van het boek: De ontdekking van Nederland. Ondertitel: ‘Vier eeuwen landschap verbeeld door Hollandse meesters’. Let op het woord ‘verbeeld’.

Het moet een vriendelijke tentoonstelling zijn, waarbij je veel aan het genoeglijke leven des gerusten landman zult moeten denken, want tot aan de dagen van de Marissen was Nederland nou eenmaal een land van boeren en buitenlui met alleen aan de randstedelijke periferie plukjes zonderlingen uit de grote stad. Er waren, als je er naar terugkijkt, geen vreedzamer plekjes in de wijde omtrek denkbaar dan deze ‘landschappen van de menselijke maat’, zoals Louise Fresco ze in een mooi opstel omschrijft, met aan het het eind nog even een paar kleine ‘uitbarstingen’ van moderniteit: bij Jan Toorop, Jan Sluyters, Jan Altink en Henk Chabot: als de verbeelding de strijd met het realisme is aangegaan.

Vergelijk daarmee het project ‘Frankendael 2001’ uit Nature as Artifice – en je ziet hoe fotografen (in dit geval het duo Erwin Driessens en Maria Verstappen) als het ware zijn toegegroeid naar in het ooit zo ongenaakbare territorium van de schilder: zoveelste voorbeeld van cross-overs in de kunst. Dankzij de natuur. Dankzij het landschap dat weer onverbiddelijk in trek is geraakt.