Een stervende longkankerpatiënt – met ‘supersmoker’

Staat Wilbert Gieske straks met nicotinepleisters op het toneel? Roken is per 1 juli ook in toneelstukken verboden. Censuur, zegt de een. Goed, meent de ander. „Alles is nep op het toneel.”

Langs zijn uitgemergelde gezicht kringelt rook. Even blauw als zijn pyjama. Het is de nacht voor zijn euthanasie en Bernhard rookt zijn laatste sigaret. „Klootzak”, zegt hij zachtjes.

Bij de reprise van het toneelstuk De goede dood, eind augustus volgend jaar, staat Bernhard daar weer. Maar dan wellicht met nicotinepleisters. Het rookverbod dat volgende week in de horeca van kracht wordt, geldt ook voor de toneelvloer.

Wannie de Wijn, auteur en regisseur van het stuk, is kwaad. „Heel betuttelend”, noemt hij het rookverbod. En „desastreus”. Volgens De Wijn heeft zijn stuk rook nodig. „Rook schept sfeer en maakt de lucht tastbaar. Er gaat enorme kracht vanuit.” Telkens wanneer Bernhard zijn laatste sigaret opsteekt, registreert De Wijn een zucht van herkenning in de zaal. „Dat effect krijg je niet met de supersmoker [elektrische sigaret, red.]”, zegt hij.

Ook Wilbert Gieske, die de rol van Bernhard vertolkt, is verbolgen over het rookverbod. „Niemand heeft er last van en die ene sigaret is superfunctioneel. Het laat zien dat Bernhard zich met zijn eigen schuld verzoent.” Volgens Gieske kan het stuk onmogelijk aanzetten tot roken. „Het vertelt dat je kunt sterven aan longkanker.” Het rookverbod noemt Gieske „een inbreuk op de artistieke vrijheid”.

„Inbreuk op de artistieke vrijheid? Ja dááág”, zegt Pim Wallis de Vries, producent van het stuk. „Alles is nep op het toneel.” Whisky? Koude thee. Witte wijn? Appelsap met water. Liever rood? Druivensap. Daar klaagt nooit iemand over”, aldus Wallis de Vries.

„Het rookverbod is een prima idee”, vindt de producent. „Het is toch krankzinnig dat we acteurs iets laten doen dat slecht is voor hun gezondheid?” Hij kent genoeg voorbeelden van acteurs die door een rol (weer) zijn gaan roken. En hij merkt steeds vaker dat het publiek begint te hoesten als er op het toneel een sigaret wordt opgestoken. Een oplossing heeft Wallis de Vries al klaar: „Ook een nepsigaret prikkelt de fantasie van het publiek.”

Eric de Vroedt, regisseur bij Toneelgroep Amsterdam, is het daar niet mee eens. Een elektrische sigaret wekt bij het publiek alleen lachlust, vreest hij. Kruidensigaretten, die op het toneel sporadisch worden gebruikt, vindt hij stinken. „Daar heeft het publiek veel meer last van.”

In het toneelstuk A Streetcar Named Desire, van Tennessee Williams, laat De Vroedt zijn acteurs elke voorstelling een heel pakje sigaretten oproken. „Lucky Strike, zoals in de oorspronkelijke tekst.” Roken is volgens De Vroedt van fundamenteel belang om „de broeierige, jazzy sfeer” van New Orleans rond 1950 op te roepen. „Het stuk gáát over roken.”

Niet alleen ‘Streetcar’, maar alle drama gaat volgens De Vroedt over mensen die „psychisch ongezond” zijn. „Dat uit zich in verslavingen”, zegt De Vroedt, „en die neurose kun je tonen met een sigaret.” Daarbij meent De Vroedt dat acteurs beter spelen als ze roken. „Die handeling geeft ze een vanzelfsprekende ontspanning, concentratie en houding.” Het rookverbod gaat ten koste van de kwaliteit van het spel, concludeert hij.

De Vroedt is daarom vast van plan zijn acteurs na de zomerstop in september weer te laten „roken als gekken”. Als hij geen maas in de Tabakswet vindt, zal hij een strafzaak proberen uit te lokken. Maar het blijft de vraag hoeveel medestanders hij vindt.

Actrice Janni Goslinga, die in de ‘Streetcar’ van Toneelgroep Amsterdam Stella speelt, is al overgestapt op kruidensigaretten, die ze uit een Belgische apotheek laat importeren. „Zonder tabak en nicotine”, meldt ze trots. De sigaretten bevatten hazelaar, papaya, pepermunt, ecalyptus en teer. „Ze stinken een beetje”, geeft Goslinga toe. Maar dat neemt ze voor lief. „Als ik een echte sigaret rook, ben ik meteen weer verslaafd.”

In Goslinga’s herinnering rookte „iedereen” toen ze in 1995 van de toneelschool kwam. Ook op het toneel. Nu veel acteurs zijn gestopt, leidt een sigaret in regieaanwijzingen dikwijls tot een conflict met de regisseur, vertelt ze.

Maar ook regisseurs en toneelschrijvers laten personages minder vaak roken dan vroeger, denkt acteur Dic van Duin. „Net als in de werkelijkheid. Ze gaan met de tijd mee.” Van Duin stuurde ooit een toeschouwster de zaal uit omdat ze ostentatief bleef hoesten terwijl hij rookte. Onlangs weigerde hij – om te voorkomen dat zijn oude verslaving weer de kop op zou steken – zelf te roken op de bühne.

Maar die speelruimte moet er zijn, vindt Van Duin. „Een rookverbod is toch een vorm van censuur.”