De rafelige vlek die bloem heet

Flowers II, Gaeta, 2005, een foto van Cy Twombly Uit besproken boek Twombly, Cy

Cy Twombly: Photographs 1951-2001. Schirmer/Mosel, 264 blz. € 78,–.

Er zijn nog steeds grote kunstenaars die zich verre houden van de publiciteit. De Amerikaan Cy Twombly (1928) is er zo een. Ja, nogal wiedes, zult u denken, eenmaal tachtig jaar oud wil je wel wat wijken voor de wereld – als voorspel op het echte vaarwel. Nee, dat ligt hier toch anders: schilder en beeldhouwer Twombly hield zich altijd al afzijdig, het liefst in Italië. En daar heeft hij doeken vol voorname en toch onbesuisde graffitti en schoonschrift geschilderd, zonder daar verder woorden aan vuil te maken.

Schilderkunst uit pure gemakzucht, zegt degene die het nooit zou kunnen imiteren. Pure poëzie, vindt de ander, en dat is het zeker. In hortende, stotende lijnen, in vlekken, in druipende dotten – vraag niet hoe het kan, maar veel doeken van Twombly zijn van een grote schoonheid. Door hun eenvoud, harmonieuze kleuren, door het ongekunstelde schildergebaar, door de durf ook om harkerig, en met zo weinig tekens de schilder-dichter uit te hangen.

Op de Biënnale van Venetië, een van de laatste presentaties van zijn werk, hingen in 2001 recente schilderijen. Groot en woest neergezet, theatraal ook, in druipend diepzwart en bloedrood, een zee van verf waarin bootjes dobberden. Hij had dat werk beter thuis kunnen laten, want vooral die bootjes waren van een tenenkrommende folklore. In plaats van zijn sensitiviteit te laten spreken moest Twombly ineens als een Tarzan demonstreren dat hij heus nog wel meetelde. Dat aplomb was helemaal niet nodig, want we wisten toch wel dat zijn werk ertoe deed.

Hij laat nu weer van zich horen, in de Tate Modern (tot 19/9), in Bilbao, Rome en dit najaar in Huis Marseille in Amsterdam. Schilderijen in Londen, maar elders exposeert hij nu eens foto's, waarop behalve een schimmig zelfportret geen mens voorkomt. De voorbode daarvan is er al: Cy Twombly, Photographs 1951-2007. Een fors boek met zo'n 180 opnamen van stillevens, een tros druiven of wat Italiaanse kazen, maar ook lege zeegezichten, landschappen en sfeervolle interieurs.

Net als zijn Duitse collega en generatiegenoot Gerhard Richter is ook Twombly nogal laat uit de kast gekomen met zijn foto's. Verder houdt elke vergelijking tussen beiden op. Richter heeft systematisch de wereld geïnventariseerd – van wolken tot porno – terwijl Twombly juist met nonchalance te werk lijkt te gaan. Alsof hij laat in de middag na een lunch met iets teveel witte wijn plompverloren door zijn atelier in Gaeta, aan de kust tussen Rome en Napels, zwerft, en dan iets vastlegt waaraan hij zonder die roes voorbij zou zijn gelopen. Hij lijkt dan de dingen voor het eerst te zien, én voor het laatst.

Om elke foto hangt een waas van intimiteit en tijdloosheid, die je ook in zijn schilderijen terugvindt, al was het maar omdat hij als een van de weinige schilders werkelijk tekent met verf, en daarom heel nabij komt. En wat die tijdloosheid betreft: die gaat zo ver dat het je niet zou verbazen als op een muur in het nog bedolven deel van Herculaneum ooit Twombly-graffitti wordt blootgelegd.

Dat hij ook de kunst verstaat om te schilderen met een camera bewijzen zijn bloemen in dit melancholisch stemmende fotoboek. Nu valt er bij het weergeven van bloemen weinig te verzieken, omdat ze zelf al toonbeelden zijn van kwetsbaarheid en innemendheid. Kijk maar naar het werk van Georgia O'Keeffe, Robert Mapplethorpe of Nobuyoshi Araki, die elke meeldraad wisten uit te buiten. Twombly durft verder te gaan. Hij richt zijn lens op het hart van een papaver, misschien was het dahlia, schakelt zijn programmeerknop van macro over op ‘vergezicht’ en drukt af. En zo ontstaat de ultieme, dieprode, rafelige vlek die bloem heet, dezelfde die hij in verf al zo vaak zo uitbundig en liefdevol heeft bewierookt.