De jaren vijftig moesten worden uitgelachen

Opeens is de glunderstem van Wim Kan weer even te horen. Zo lijkt het althans, want Vincent Bijlo komt dicht in de buurt van zijn grote voorganger, als hij in de voorstelling Hallo, hallo, wie stinkt daar zo? aan een tafeltje met een microfoon gaat zitten en aan een conference begint over de toekomst van de radio. Voor die toekomst werd immers gevreesd, eind jaren vijftig, toen de televisie steeds meer terrein begon te winnen – vooral als amusementsmedium. En deze voorstelling doet een poging iets van die vroegere radiosfeer terug te halen, van de plechtstatigheid waarmee destijds de weersverwachtingen en de waterstanden werden voorgedragen tot en met het onbezorgde vermaak van de sketches en liedjes uit de populaire amusementsprogramma’s die toen nog ‘bonte avond’ (zie De Bonte Dinsdagavondtrein van de AVRO) heetten.

De acteurs van de Firma Rieks Swarte spelen een parodistisch showtje in schuifdeurensfeer, waarin cabaretier Bijlo als gast optreedt. Hij speelt piano, zingt mee, verzorgt een paar komische geluidseffecten en benadert het stemgeluid van Wim Kan in die conference. Het is een listig geschreven tekst waarin de jaren vijftig worden gebrandmerkt als een periode van braafheid, beklemming en zelfcensuur. Een periode die zich, aldus Bijlo, niet voor herhaling leent. En dan richt hij zich vanuit die jaren vijftig tot iemand die over vijftig jaar minister-president zal zijn („Jan of Peter ofzo”) met de oproep: „Zo’n tijd als deze mag nooit meer komen.”

Het is een onverwacht moment, omdat het eindelijk enige scherpte meegeeft aan een voorstelling die verder nogal opzichtig naar een camp-succesje hengelt. Alsof de uiterste verkoopdatum van de opzettelijke meligheid niet allang is gepasseerd – zo vaak is dit terrein intussen al afgegraasd door allerlei theatermakers, onder wie ook Rieks Swarte zelf. Maar tegelijk heeft het iets raars, zo’n ernstige waarschuwing te midden van zo veel slappe liedjes en sketches. Een vergeefse gooi naar enige diepgang, een excuusnummertje om de ongein eromheen enige legitimiteit te verlenen.

Veel tekstmateriaal is ontleend aan de omroeparchieven. Op de authenticiteit valt dan ook niets af te dingen. Hooguit op de datering: er komt minstens één lied uit de jaren dertig voorbij en één sketch uit de jaren zeventig. Belangrijker lijkt me echter de vraag of Swarte en Bijlo met hun keuze eigenlijk wel recht doen aan de jaren vijftig. Het antwoord is nee. De theatermaker (geboren in 1949) en de cabaretier (1965) hebben een karikatuur gemaakt. Alles wat in die tijd wel vernieuwend was, en iets prikkelender dan het doordeweekse vermaak, hebben ze weggelaten. De lulligheid moest overheersen. De jaren vijftig moesten worden uitgelachen.

Erg interessant is dat niet. Zodra duidelijk wordt dat deze avond in het teken van de nadrukkelijke knipoog staat (en dat wordt al heel snel duidelijk), gebeurt er eigenlijk niets anders meer. Alleen die conference in de Wim Kan-traditie steekt er bovenuit. Eindelijk heeft iemand iets te zeggen. In een stijl die nog onverminderd effectief blijkt te zijn. En die trouwens dateert uit de jaren vijftig.