Blij dat je niet naar Wenen hoeft

Het Holland Festival kreeg onlangs twee tegenovergestelde beoordelingen van subsidieverstrekkers. Wat leert de editie van deze maand?

Scène uit de opera ‘Saint François d’ Assise’ met links Rod Gilfy (Saint Francois) en rechts Hubert Delamboye (Le Lépreux) Foto Ruth Walz Walz, Ruth

Goed, je zit niet op een zandplaat, of in een verlaten bordeel. Je zit gewoon op het pluche in een droog en aangenaam koel Amsterdams theater of concertzaal. Toch kun je op het Holland Festival opzienbarende dingen meemaken, die je nergens anders kan treffen. Een actrice die tot haar nek in het beton zit. Een dikke Duitser met incontinentieluier die langzaam sterft in een drie uur durende sneeuwbui. Een voorstelling zonder mensen, maar met vijf piano’s, waarvan één in mist en een aanzwellende regenbui uit zichzelf het Andante uit Bachs Italiaanse Concert begint te spelen. Een Cubaanse Christus die onder luid gejuich wordt terechtgesteld. En dan mogen de Mexicaanse castraatzanger, centaur, Siamese tweeling en eunuch niet ongenoemd blijven, die het publiek bekogelden met witte kadetjes.

Het Holland Festival, zondag afgesloten, beleefde deze maand een glorieuze 61e editie, en na vier jaar leiding van Pierre Audi valt op hoe breed, open en rijk het festival weer is geworden.

Is het allemaal geweldig? Zeker niet. Soms valt je mond open van bewondering (Glanz van Stockhausen, La Comedia van Andriessen), maar vaak ook stamp je van ergernis. Om de bloedeloosheid bijvoorbeeld, van een installatievoorstelling als Weerslechtweer, of om de drammerige Duitse zwartkijkerij van Molière. Vooral het dans- en theaterprogramma bevatte een paar stevige teleurstellingen, in het bijzonder het Dante-tweeluik van choreograaf Emio Greco. Maar dat hoort erbij, grote namen maken ook wel eens iets lelijks, of blijken ineens aan het einde van een ontwikkeling te zitten. En kleine namen blijken wel eens ten onrechte veelbelovend.

In een omstreden kritisch subsidieadvies

hekelde de Amsterdamse Kunstraad vorige maand het festival als „on-Nederlands”. En gelukkig was het Holland Festival dit jaar inderdaad weer schaamteloos on-Nederlands, met een Libanees-Parijse directeur en artiesten uit drieëntwintig verschillende landen. We kregen een heerlijk kitscherige Latijns-Amerikaanse Marcus Passie, een met rollende koologen gespeelde Arabische Richard III, een lollig bedoelde Mexicaanse freakshow De Monstruos y Prodigios, Pakistaanse fakirs, Chinese opera, Italiaanse schlagers van een Amerikaanse rockzanger. Niet allemaal even geslaagd, en vaak werd oprechte waardering gehinderd door het gebrek aan aansluiting bij de westerse smaak. Wat daar avant-garde is, lijkt hier al snel op kitsch of op een gedateerde stijl. Maar het verruimde de provinciale Nederlands geest, en nergens anders in Nederland krijg je zo’n veelzijdig overzicht van buitenlands theater te zien.

„Een platform voor excellentie en innovatie”, Zo beschreef de Raad voor Cultuur half mei het Holland Festival, in een advies aan de minister. Het heeft een „unieke positie in Nederland en kan de concurrentie met vergelijkbare festivals voor podiumkunsten in het buitenland aan.” De kwaliteit van programmeren is goed, volgens de Raad voor Cultuur. Er is vertrouwen in de koers van het festival dat daarom een een half miljoen euro extra verdient. Vorige week werd die subsidieverhoging in een tweede advies wegens gebrek aan geld overigens weer ongedaan gemaakt.

De Amsterdamse Kunstraad zag in het advies aan de gemeente Amsterdam het Holland Festival geheel anders. Het festival is te behoudend, het biedt de avant-garde van toen, is te weinig vernieuwend, eigenzinnig en inventief. Het festival is ook te duur voor het Amsterdamse kunstbudget, de ambitie moet worden aangepast aan de middelen. Geen subsidieverhoging, eerst andere en betere plannen.

Het muziekdeel van de programmering van het Holland Festival dit jaar bewijst het gedeeltelijke gelijk van beide kunstraden. De Raad voor Cultuur op het punt dat de kwaliteit van programmeren uitstekend is. Het festivalthema ‘Cielo e Terra’, op zich een eeuwig spiritueel motief, werd terecht teruggehaald en was zichtbaar in veel voorstellingen. Het was in het bijna anti-religieuze Nederlandse intellectuele en artistieke klimaat vrijwel geheel achter de horizon verdwenen.

Met reden kan de Amsterdamse Kunstraad wijzen op de grote aandacht voor de rooms-katholieke componist Olivier Messiaen, die inderdaad avant-garde van toen is, en duur en niet vernieuwend. Daar staat tegenover dat zijn werk geheel nieuw is voor een groot deel van het publiek. Bovendien leveren het Koninklijk Concertgebouworkest en de Nederlandse Opera topkwaliteit.

De Amsterdamse Kunstraad wil van het festival een kleiner festival maken, dat zelf goedkopere, maar vooruitstrevende voorstellingen en composities laat maken. Door te leunen op bewezen successen uit het buitenland, zo oordeelt de raad, probeert het festival met de grote Europese festivals mee te komen (Wenen, Avignon, Salzburg) en benadrukt het alleen maar zijn dwergstatus.

Je kunt dat natuurlijk ook gezond ambitieus noemen. En het mag zo zijn dat het festival niet tegen de grote Europese broers op kan, omdat het niet zo rijk is, en weinig opdrachten te vergreven heeft, maar de kracht van het Holland Festival is juist de breedte. Groot en klein staat naast elkaar, experimenteel én conventioneel, het populaire én het moeilijke.

Zelf produceren is het ideaal

, daarmee zou het festival zich inderdaad meer mee kunnen onderscheiden. Maar dat is duur. En de oplossing die vaak wordt gebruikt, het samen produceren met andere festivals, zorgt er weer voor dat het Holland Festival op de andere festivals lijkt. Dat kritiekpunt klopt op zich, maar hoe zwaar weegt dat? Hoeveel van de 70.000 bezoekers kunnen bij de uitgang smalen: „Mwah, Wenen was beter!” De meeste bezoekers gaan nooit naar het buitenland om andere festivals te zien. Ze zijn blij dat die dure buitenlandse voorstellingen in eigen land zijn te zien.

Overigens waren er, om de Kunstraad te logenstraffen, wel degelijk tal van wereldpremières van belang: de Lucas Passie van Calliope Tsoupaki, de Adam Interludes van Rob Zuidam, La Commedia van Louis Andriessen, Glanz van Stockhausen. Het laatste deel van de operatrilogie Chinese heldinnen van Guo Wenjing was ook een wereldpremière. En er waren vijftien wereldpremières bij de David Kweksilber Big Band.

Is het allemaal moeilijk en geleerd? Zeker niet. Het is allemaal wel duur en avant-garde. Maar daar zitten ook snoepjes tussen die makkelijk naar binnen glijden. Neem de muziek van Osvaldo Golijov, onder andere zijn swingende Markus Passie. Golijov is sterk omstreden, omdat zijn muziek te makkelijk zou zijn, te herkenbaar en populistisch. Eenzijdig streng highbrow is het Holland Festival dus zeker niet. En de eigenzinnige en zeer interessante muziek- en muziektheaterprogrammering van Pierre Audi is essentiële kwaliteit van het Holland Festival, na de vrijwel muziekloze jaren tijdens het bewind van zijn voorganger Ivo van Hove. Géén muziek in het Holland Festival in het muziekland Nederland, dát was on-Nederlands!