Voortaan moet de vervuiler wél betalen

Olieproducent Total moet volgens Europees Hof kosten van schoonmaak betalen.

Uitspraak maakt verhalen schade na ramp eenvoudiger.

Vrijwilligers ruimen de olie van de Erika op. De kosten zijn voor de eigenaar, aldus het Europese Hof. Foto AFP Des bénévoles font la chaîne pour évacuer des seaux plein de mazout, le 30 décembre 1999 dans une crique de la côte sauvage du Pouliguen, alors qu'ils participent au nettoyage des plages souillées depuis le naufrage du pétrolier Erika. Volunteers form a chain 30 December 1999, passing buckets filled with oil on the western French coast of Pouliguen as they take part in the cleanup of the Atlantic coast, which was polluted with oil leaking from the Maltese-registered cargo Erika that sank 12 December 1999 off the coast of Brittany. schoonmaak AFP

De vervuiler betaalt, luidt het principe, ook in het Europese milieubeleid. Maar in de praktijk lukt het lang niet altijd de schade op de vervuiler te verhalen. Na de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van dinsdag over de schipbreuk van de olietanker Erika staan gedupeerden echter een stuk sterker.

„Een grote stap voorwaarts in de verankering van het principe ‘de vervuiler betaalt’ bij milieurampen”, zegt woordvoerder David Santillo van Greenpeace. „Iedereen heeft de mond vol van dat principe, maar als puntje bij paaltje komt, ontstaat er vaak onenigheid over de aansprakelijkheid. Deze uitspraak schept helderheid voor bestuurders en rechters en zal producenten dwingen om hun vervoersbedrijven veel zorgvuldiger te kiezen.”

De Europese rechters bogen zich over de ruzie tussen de Franse gemeente Mesquer en het Franse olieconcern Total, die ontstond nadat de Erika op 12 december 1999 in zware storm doormidden brak voor de kust van Bretagne. Van de 35.000 ton zware stookolie die het schip vervoerde in opdracht van olieproducent Total lekte 20.000 ton weg, waardoor het leven in en op zee danig werd verstoord en 400 kilometer kust ernstig vervuild raakte. Tienduizenden vogels kwamen om het leven, visserij en toerisme kregen rake klappen.

Total wees elke verantwoordelijkheid voor de ramp van de hand. Het concern was ervan uitgegaan dat de destijds 25 jaar oude tanker (van een Italiaanse reder en varend onder Maltese vlag) in goede staat verkeerde en zeewaardig was.

De gemeente Mesquer eiste van Total vergoeding van de kosten (bijna 70.000 euro, een fractie van de totale schade) voor het schoonmaken en saneren van haar stukje kust. Ze beriep zich daarvoor op de Europese afvalstoffenrichtlijn. Daarin staat onder meer dat de ‘houder’ (in dit geval de Erika) en/of de ‘producent’ (Total) moeten opdraaien voor de kosten van verwijdering van afvalstoffen.

De rechtbank in St. Nazaire wees de claim van Mesquer af. Reden: de zware stookolie was verkocht als brandstof (voor een elektriciteitscentrale) en dus geen afvalstof. Dat oordeel werd in hoger beroep door het hof in Rennes bevestigd. Daartegen ging Mesquer in appèl bij het Hof van Cassatie dat de zaak voorlegde aan het Europees Hof van Justitie in Luxemburg, de hoogste rechter inzake EU-aangelegenheden.

Nee, besliste het Europees Hof eergisteren, zware stookolie die wordt verkocht als brandstof, is géén afvalstof. Maar weggelekte zware stookolie die, vermengd met water en sedimenten, is afgedreven en aangespoeld op de kust, is wél een afvalstof. En dus komen de schoonmaakkosten daarvan op grond van de afvalstoffenrichtlijn voor rekening van de (eigenaar van de) Erika en/of Total.

Daarmee heeft het Hof expliciet bepaald dat behalve de vervoerder ook de producent van het product dat tot afval is gedegradeerd, aansprakelijk kan worden gesteld voor de verwijdering daarvan. Dat is te meer van belang omdat het geen uitzondering is dat de reder na een grote scheepsramp failliet gaat waardoor schadeclaims falen. Volgens het Hof kan dan de producent in beeld komen.

De betekenis van het arrest is niet beperkt tot milieuschade na scheepsrampen. Ook weg- en luchttransportbedrijven en hun bevrachters, evenals makers van producten die zij vervoeren, dienen zich rekenschap te geven van de ‘gedaanteverandering’ die de lading kan ondergaan bij een crash.

Aan de aansprakelijkheid van de ‘producent’ verbinden de Luxemburgse rechters wel een restrictie. Total kan alleen worden verplicht de schade te vergoeden „wanneer hij door zijn activiteiten heeft bijgedragen aan het risico dat de door de schipbreuk veroorzaakte verontreiniging zou optreden”.

De beslissing daarover is uiteindelijk aan de nationale rechter, in dit geval de Franse. Maar die heeft in een van de talrijke andere processen die na de ramp met de Erika zijn gevoerd, al vastgesteld dat opdrachtgever Total ernstig nalatig is geweest, in het bijzonder bij de keuze van de olietanker. De Erika was niet alleen goedkoop vanwege haar leeftijd, maar ook door haar lichte, enkelwandige uitvoering.