Student gaat liever naar de VS

Sander van den Eijnden, directeur Nuffic . Foto Roy Beusker Foto: Roy Beusker Beusker, Roy

Steeds minder Nederlandse studenten gaan een tijdje in een EU-lidstaat studeren met een Erasmusbeurs van de Europese Unie. Werden er in het studiejaar 2005-2006 nog 4.607 beurzen aan Nederlandse studenten verstrekt, in het studiejaar 2006-2007 waren dat er 4.501. Ook dit jaar verwacht Nuffic, de Nederlandse dienst voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs, een daling. In de meeste andere landen neemt het aantal Erasmusbeurzen juist toe. „Europa is voor Nederlandse studenten gewoner geworden”, zegt de algemeen directeur van Nuffic, Sander van den Eijnden.

Waarom blijven Nederlandse studenten achter bij hun Europese leeftijdsgenoten?

„Het lijkt tegenstrijdig, maar het is de Europeanisering van het Nederlandse onderwijs ten voeten uit. Je kunt eruit afleiden dat Europa gewoner is geworden voor Nederlandse studenten. Het onderwijsaanbod in Nederland is ook Europeser geworden, waardoor studenten voor een Europese ervaring niet meer altijd naar een ander Europees land toe hoeven. Ook zoeken ze het verderop en gaan bijvoorbeeld naar de Verenigde Staten. Overigens gaan ook veel studenten zonder Erasmusbeurs in het buitenland studeren.”

Mist Erasmus dan zijn uitwerking?

„Erasmus heeft voor Nederlanders minder toegevoegde waarde dan voor studenten uit nieuwe lidstaten. Wij zijn een rijk land, kunnen onze studenten studiefinanciering meegeven en ze redelijke leningen bieden. Veel nieuwe EU-landen verkeren niet in die positie. Daarom zijn programma’s als Erasmus voor hen interessanter. Hun studenten maken er ook meer gebruik van.”

Vindt het Nederlandse hoger onderwijs minder aansluiting bij het hoger onderwijs in andere Europese landen?

„Nee, het hoger onderwijs in de Europese landen groeit steeds meer naar elkaar toe. Neem het aantal buitenlandse studenten in Nederland, van de 50.000 zijn er 35.000 Europees. Het bachelor-mastersysteem vergroot de mobiliteit van Nederlandse en buitenlandse studenten. En het systeem van diplomawaardering ontwikkelt zich sterk. Maar nationale onderwijskenmerken zullen niet verdwijnen. Nederland doet het in Europa niet slecht als het om onderwijs gaat. Als we die kwaliteit willen behouden moeten we weten wat samenwerking met andere Europese landen ons oplevert. Internationalisering in Europa is niet: zet zoveel mogelijk internationale studenten in een klas en klaar is Kees. Die aanpak zou studenten achterop brengen.”

Leidt internationalisering van het Europese hoger onderwijs nu tot vermindering van kwaliteit?

„Nee, juist niet. Maar vaak wordt nog gedacht: laat die student maar naar Spanje gaan, al doet-ie daar niet zoveel, want die internationale ervaring raakt hij nooit meer kwijt. Dat is flauwekul. Koop dan voor 19 euro een ticket en ga op vakantie naar Barcelona. Gelukkig begint dat idee in Europa door te dringen. Kijk bijvoorbeeld naar uitwisselingsafspraken tussen onderwijsinstellingen, zoals bij Erasmus. Die afspraken moeten kwaliteit waarborgen. Een Nederlandse universiteit moet in Europa niet samenwerken met een instelling die minder presteert, maar met een universiteit die gelijkwaardig is, of liefst een beetje beter. Als daar niet genoeg aandacht aan wordt besteed, leidt dat tot slechte internationalisering.”

Met welke maatregelen kan dat worden ondervangen?

„Ik pleit voor een kwaliteitsmeting van internationalisering. We stellen in Europa zoveel eisen aan mixers en scheerapparaten, wordt het dan niet tijd dat we ook eisen gaan stellen aan internationalisering in het hoger onderwijs?”