Leve de lange zin, losse woordjes doen niets

Geen boze woorden over urennormen, stakingen of doorstroommogelijkheden.

Maar wel de voordelen van een kleurrijke school en een ode aan het vak Frans.

Leve de lange zin, losse woordjes doen niets. Illustratie Leonie Bos Bos, Leonie

„Mevrouw, heeft u de cijfers?” Ik ben nog niet binnen, of hij hangt al aan mijn jas. „Goedemorgen, Nigel!” Hij lacht. „O ja, goedemorgen, mevrouw. Maar euh… heeft u de cijfers?” Nigel is een fanatieke brugklasser die graag zijn Frans wil ophalen. School is soms moeilijk voor hem, maar hij is vastbesloten om over te gaan.

Frans is nog niet het populairste vak op school, helaas. Veel van mijn leerlingen, in de onder- en in de bovenbouw hebben best veel moeite met Frans. Het stampen van de woordjes vinden ze saai, de grammatica moeilijk en ze vragen zich geregeld af waarom ze dit in vredesnaam moeten leren. Ach, ik vroeg altijd precies hetzelfde aan mijn docent natuurkunde (die mij trouwens ook nooit heeft kunnen overtuigen…).

Door de kritische houding van een aantal leerlingen tegenover mijn vak, heb ik veel nagedacht over het belang van het Frans. Ik ben er inmiddels van overtuigd dat de kennis van vreemde talen je helpt om een evenwichtig wereldbeeld te krijgen. Je verbreedt je horizon en je leert dat andere culturen op een andere manier naar het leven kijken. Zo is het bijvoorbeeld heel interessant om te zien hoe Franse kranten schrijven over de rellen in de banlieues, de voorsteden, of over de rol van Amerika in de wereld. De kennis van de Franse taal geeft je dus de mogelijkheid om met een ander perspectief naar de wereld te kijken.

Twee jaar geleden ben ik van school veranderd, van een witte havo-vwo-school naar een havo-vwo-school in het centrum van Rotterdam: het Citycollege St. Franciscus. In de volksmond een zwarte school. Ik haat die benaming, maar het geeft wel ongeveer weer welke leerlingen er voor mijn neus zitten. We hebben het zelf trouwens liever over een kleurrijke school.

Het lijkt wel of de leerlingen hier gemotiveerder zijn om goede cijfers te halen. Ik denk dat dit ligt aan de verschillende achtergronden van de leerlingen. Op mijn oude school hadden veel ouders een goede baan. Waarom zou je als leerling keihard gaan werken, wanneer je al alles hebt wat je hartje begeert? Maar als je vader nu eens geen rechter of bankier is en misschien niet zo vloeiend Nederlands spreekt, dan word je enorm gestimuleerd om een goede opleiding te volgen. Dat is de mentaliteit op mijn nieuwe school.

Tijdens mijn sollicitatiegesprek werd gevraagd of ik bereid was om iets extra’s te geven, om de leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden. Ik heb inmiddels ondervonden wat mijn collega’s met die vraag bedoelden. Als mentor krijg je soms moeilijke verhalen te horen. Wanneer je je indenkt dat een leerling met zulke problemen toch op de havo zit, dan word je daar gewoon stil van. Ik bewonder het doorzettingsvermogen en de kracht van sommige leerlingen.

In de twee jaar dat ik hier nu werk, heb ik echter nooit het gevoel gehad dat ik me meer moest inspannen dan op mijn vorige school. Natuurlijk, het is zwaar om altijd maar weer paraat te staan, vriendelijk te zijn, consequent te reageren. Je kunt nooit eens een baaldag hebben, want dan krijg je het direct te horen: „Mevrouw, wat bent u streng vandaag, zeg!” Maar dat heb je op elke school. Het bijzondere van deze school is dat ik er zoveel voor terug krijg. De meeste leerlingen staan open voor een vriendschappelijke band met hun docenten. En in de docentenkamer merk ik dat de docenten hun leerlingen goed kennen. Er wordt bijna altijd met betrokkenheid over de leerlingen gesproken.

Bovendien geniet ik van de kleine dingen. In januari kwam ik een leerling tegen in de stad. Er stond een groep stoere jongens, allemaal met capuchon op, voor MacDonalds. „Bonjour, Madame Knoestèèr!” werd er ineens geroepen. Toen ik zag dat het Kevin was, riep ik enthousiast „Hé Kevin!” tot hilariteit van zijn vrienden. Achter mijn rug hoorde ik Kevin boos zeggen „Doe normaal, man, dat is mijn lerares Frans”.

Zo aan het einde van het schooljaar draait het leven van veel leerlingen om hun cijfers. Die bepalen namelijk of ze overgaan of niet. Als docent baal ik daar weleens van. Het zou zo leuk zijn om leerlingen van alles te leren zonder dat daar altijd een cijfer tegenover moet staan. Aan de andere kant begrijp ik ook dat intrinsieke motivatie voor een veertienjarige misschien wat veel is gevraagd. Aan het begin van de brugklas is die er wel. Het is heerlijk om een trotse leerling zijn eerste Franse zinnetje te horen zeggen: „Je m´appelle Muhamed et j´habite à Rotterdam”. Om vervolgens triomfantelijk vier vingers in de lucht te steken: „West-side!”

Wanneer we halverwege de brugklas zijn, begint het enthousiasme bij sommige leerlingen echter te tanen. Dan halen ze onvoldoendes en vragen ze zich af waarom. Dat heeft dan meestal met goed plannen te maken. Op het Citycollege geven we daarom lessen studievaardigheid en bestaat er ook een huiswerkklas. Leerlingen leggen elkaar daar bijvoorbeeld uit hoe zij hun woordjes leren, want dat is echt niet voor elke leerling een vanzelfsprekende zaak. Tijdens de lessen Frans besteden we bovendien veel aandacht aan het maken van zinnen. Want aan losse Franse woordjes heb je natuurlijk niet zoveel. Als je niet zo goed bent in Nederlands en nooit echt hebt begrepen hoe een zin grammaticaal in elkaar zit, dan is dit in een vreemde taal extra moeilijk.

Dit jaar heb ik één bovenbouwklas. Het is een select groepje vwo-4-leerlingen die Frans hebben gekozen. Dit betekent echter niet automatisch dat ze allemaal perfect Frans spreken. Zoals op veel scholen wordt het profiel Cultuur & Maatschappij ook bij ons nogal eens gekozen wanneer de andere profielen te moeilijk geacht worden. Deze negatieve keuze heeft dan weer gevolgen voor de motivatie voor het Frans. Maar in deze kleine groep van 14 leerlingen kunnen de leerlingen elkaar meestal wel motiveren. De zwakkere leerlingen trekken zich op aan de sterkere. Halverwege het schooljaar hebben we samen plechtig afgesproken dat we alleen nog maar Frans zouden spreken. De helft van de les wordt sindsdien verkletst, waar ik helemaal achter sta, omdat het in het Frans gebeurt. Doordat ze elkaars fouten verbeteren, wordt hun taalgebruik zienderogen beter.

‘Kleur je toekomst!’ is het motto van onze school. Wij geven onze leerlingen de kans om het beste uit zichzelf te halen, misschien zelfs boven hun eigen verwachtingen uit te stijgen.

In de twee jaar dat ik hier nu werk, heb ik voor mezelf de balans opgemaakt. Het werk is zwaar, maar als ik aan mijn leerlingen denk, dan weet ik dat ik het de moeite waard vind. Het kost me niet alleen energie, zij geven me ook weer energie. De missie van de school spreekt me aan. Leerlingen die misschien met een achterstand beginnen, krijgen de kans om te laten zien wat ze in zich hebben. Maar die leerlingen moeten die kans wíllen grijpen. Zo blijft iedereen gemotiveerd. En in een motiverende omgeving schop je het het verst.

Licia Knoester (1976) studeerde voor tolk-vertaler Frans en Russisch. Sinds 2001 is ze werkzaam in het onderwijs. Ze geeft nu voor het tweede jaar les aan het Citycollege Sint-Franciscus te Rotterdam.