Gebruiksgemak

Het verandert hier langzaam, maar het verandert. Als de boze buitenwereld maar lang genoeg boos blijft, weet ze zelfs in de rubberen bal die Portugal heet een deuk te slaan. De jacht is aan het verdwijnen. De schoenpoetsers zijn uit het straatbeeld verdwenen. De laatste schoenpoetsers in de stad zitten daar niet om schoenen te poetsen, maar om schilderachtig te zijn.

De mensen worden ouder en de mensen gaan dood, ik leg het nog maar eens uit. Ook dat verschijnsel zorgt voor verandering.

Ik heb hier lang genoeg gewoond om Fernando te zien opschuiven van centrum naar periferie. Elk dorp kent zijn opperhoofd en hier heette hij Fernando. Een opperhoofd hoort de wijze man te spelen, de vraagbaak en de probleemoplosser. Fernando was dat alles en bovendien een rokkenjager, goedlachs en rusteloos. Hij bezat de perfecte mengeling van hartelijkheid en distantie. Dat zorgt voor gebruiksgemak.

Ik mocht hem dus graag. Hij kon je de illusie geven dat hij je vriend was zonder dat je ook maar iets van hem hoefde te weten.

Toen ik hier arriveerde, was hij de burgemeester. Presidente da junta heet zoiets. Waarnemer van het gehucht. De lange arm van een lijf dat weinig voorstelt. Maar niettemin burgemeester.

Ik was terechtgekomen in een ketel van achterdocht en misverstanden, een ketel die zomaar kon overkoken. Door diplomatiek ingrijpen van Fernando gebeurde dat niet. Hij wierp zich op als sleutelbewaarder, waakhond en bliksemafleider. Hij had een speciale band met het huis, dat hielp.

En hij snoeide, harkte en spitte.

Wat was dat prachtig, in die jaren, om je te kunnen laten ontvallen, speciaal tegenover Nederlanders, dat de burgemeester je tuinman was. Dan keken ze je aan of de kapsones je nu pas echt in hun greep hadden. Dat kwam misschien nog harder aan dan: „Ik heb met Harry Mulisch in de klas gezeten.”

Fernando had drie zonen. Eén ervan was een halve debiel, een schat van een jongen die stierf toen zijn vader nog volop aan het burgemeesteren en tuinieren was. Vijftien jaar leefde Fernando naast een echtgenote in rouwkleren, een vrouw die van verdriet steeds dichter met haar neus op de aarde liep. Ook de leeftijdgenoten van Fernando stierven een na een, de vrienden die je nodig hebt voor het levend houden van hoe glorieus het was. Hoe mooi de meiden en hoe steil het bergpad.

Na de dood van zijn vrouw liet Fernando zijn tanden trekken. Ineens was hij een oud mannetje dat kromp en kromp. Een kleine stap voor een tandarts, maar een reuzenstap voor de mens.

Hij die de spil van alles was, leeft nu aan de rand van alles. Een satelliet zonder functie. Toch bejegent iedereen hem met het oude respect. Een hoopje mens, zonder invloed en attributen, de schim van een patriarch, en toch – voor één keer lijkt respect geen leeg begrip.

Als Fernando teruglacht, springen zijn tanden je als een grote, witte vlek tegemoet. Ze zijn te wit. Een kunstgebit krimpt niet mee.

Ik omhels hem, niet als tuinman, maar als vader. Wonderlijk hoe iemand er in slaagt om, zonder het hoofd van het dorp te zijn, het hoofd van het dorp te blijven.

Welbeschouwd is er niets veranderd.

Gerrit Komrij