‘FARC niet enige probleem Uribe’

Colombia, vooral de steden, is veiliger geworden, mede door de harde aanpak van de FARC. Op het platteland echter ontvluchten mensen het geweld nog steeds.

Een groepje van driehonderd boeren stond begin deze maand ineens in de straten van Zaragoza, een stadje in de Colombiaanse provincie Antioquia. In totaal 82 families, op de vlucht geslagen voor gevechten tussen het leger en guerrillabeweging FARC. Alles achtergelaten. Hun huizen, hun land en daarmee hun enige inkomstenbron.

Hoe veilig is Colombia eigenlijk? Vraag het aan de Colombiaan op straat in de stad en hij of zij zal zeggen: een stuk veiliger dan vijf jaar geleden. „Dat klopt, maar het is relatief. Kijk buiten de stad en je treft een andere omgeving, een onveilige”, zegt Iván Cepeda, columnist van de krant El Espectador en mensenrechtenactivist. „Mensen ontvluchten het platteland ook nog steeds vanwege paramilitaire groepjes, die nog altijd actief zijn, hoewel een groot deel gedemobiliseerd is. Niemand die deze arme mensen beschermt.”

Colombia (45 miljoen inwoners) heeft volgens VN-cijfers een van de grootste groepen interne vluchtelingen ter wereld. Bijna drie miljoen mensen, van wie de overgrote meerderheid, vooral indianen en boeren, afkomstig is van het platteland. Ze slaan op de vlucht voor confrontaties tussen leger, guerrilla en gewezen paramilitairen. De overheid registreerde vorig jaar 200 duizend nieuwe ontheemden, maar het werkelijke cijfer ligt waarschijnlijk veel hoger.

Niettemin is sinds het aantreden van president Uribe, in 2002, de situatie verbeterd: het aantal ontvoeringen daalde en de aanslagen in steden namen af. Zijn harde aanpak, in het bijzonder van de FARC, lijkt vruchten af te werpen.

Dit jaar moest de FARC zware klappen incasseren, van ruim duizend deserteurs tot de dood van de oprichter van de beweging Manuel Marulanda en zijn rechterhand Raúl Reyes, het gezicht naar de buitenwereld. De dood van de twee leidde kortstondig tot speculaties over een strijd binnen de FARC om het leiderschap.

De videoboodschap van eind mei, waarin het overlijden van Marulanda door de FARC werd bevestigd, maakte daar vooralsnog een einde aan. In de video werd Alfonso Cano (59), een man met baard en bril die even in beeld was, gepresenteerd als de nieuwe leider.

Voor buitenstaanders was Cano’s promotie misschien onverwacht, binnen de FARC waarschijnlijk niet. Hoewel hij minder internationale bekendheid geniet dan de in maart gedode Reyes, werd hij binnen de beweging al langer gezien als troonopvolger.

Cano (echte naam: Guillermo León Sáenz) kan de huisideoloog van de FARC worden genoemd. In het post-Sovjettijdperk was hij bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het vaststellen van een nieuwe ideologische strategie. Ook zou de voormalige antropologiestudent de ideologische gangmaker zijn geweest achter de FARC’s drugsactiviteiten – aanvankelijk paste betrokkenheid bij drugshandel, in de vorm van bescherming van cocaboeren, niet in de filosofie van de guerrillabeweging.

„Cano is bekend binnen de FARC, kent de operatieve structuur van de organisatie goed. De vraag is wat hij nu gaat doen. De FARC zal voorlopig niet snel plaatsnemen aan de onderhandelingstafel met de regering, want daarmee zou zij haar verzwakte positie erkennen”, zegt Nicolás Urrutia, veiligheidsanalist bij Fundación Ideas para la Paz in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá.

Ondanks de toenemende druk op de FARC, heeft de regering, volgens Urrutia nog een hoop werk te verrichten voordat de veiligheid in het land echt terugkeert. Colombia heeft altijd een zwakke centrale overheid gehad. „Straks heb je misschien allerlei gebieden weer onder controle, maar dan moet er ook op regionaal niveau met wederopbouw worden begonnen.”

En dat is niet eenvoudig. Het relatief dunbevolkte Colombia is 28 keer zo groot als Nederland en behoort tot het Andes-, het Antilliaanse én het Amazonegebied. De meeste mensen wonen er in de stad, bijna 80 procent van de bevolking, een percentage dat de afgelopen jaren is toegenomen als gevolg van de stroom vluchtelingen. Dat betekent dat er grote regio’s zijn waar amper mensen wonen en de overheid afwezig is.

Utturia: „Je ziet nu regelmatig dat er vijftig politieagenten zijn voor een oppervlakte van tienduizend vierkante kilometer. Als je die gebieden als overheid niet onder controle krijgt, dan is het wachten op de terugkeer van gewapende groepen.”

Daarbij refereert hij ook aan de gedemobiliseerde paramilitairen, een groep van oorspronkelijk ruim dertigduizend leden, waarvan er, zo blijkt uit cijfers van de Hoge Commissie voor reïntegratie van de gedemobiliseerde leden van gewapende groepen, circa drieduizend ondergronds zijn gegaan.

Mensenrechtenactivist Cepeda is het daarmee eens. „Je weet nooit wat die voormalige paramilitairen gaan doen. De banden tussen de paramilitairen en de lokale politiek bestaan bovendien al jaren en aan die cultuur maak je ook niet zo maar een einde. Er zijn in Colombia nog steeds regio’s waar paramilitairen de dienst uitmaken. De FARC is niet het enige probleem, maar de vraag is of Uribe echt iets wil doen aan de paramilitairen.”

Dat is een relevante vraag. Uribe’s regering zou vooral leunen op politici die banden hebben of hadden met de paramilitairen. Een schandaal hierover kwam vorig jaar naar buiten: tientallen congresleden zijn door justitie aangeklaagd of naar hen loopt een onderzoek. Uribe’s populariteit lijdt er niet onder – vooral niet nu het schandaal door de successen tegen de FARC snel wordt vergeten.