De consument wordt angstig

Het vertrouwen van consumenten daalt snel, nu zij worden bedolven onder onheilspellende berichten over de economie en de inflatie. Maar handelen zij daar ook naar?

Het komt te voet en het gaat te paard, zo heet het. Het vertrouwen van consumenten in de grote westerse economieën vertrekt op dit moment in gestrekte draf. Vanmorgen rapporteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat het consumentenvertrouwen in Nederland in juni (de som van positieve en negatieve antwoorden op vragen over de economie en het koopgedrag) een waarde heeft bereikt van -19. Dat is nog niet extreem laag; in juli 2003 werd -40 gemeten. Maar de omslag is ditmaal wel opvallend. Een jaar geleden stond het saldo nog op +17. Zelden ging het zo hard naar beneden, zelfs niet in de manisch-depressieve periode tijdens en na de internethausse van rond de eeuwwisseling.

De omslag van de stemming is geen verrassing. De burger krijgt een stroom van slecht nieuws te verwerken. De prijzen van olie, andere grondstoffen en voedsel zijn sterk opgelopen, en dat vreet aan de koopkracht. Nog gisteren zei president Wellink van De Nederlandsche Bank in een hoorzitting voor de Tweede Kamer rekening te houden met een inflatie die in de loop van dit jaar kan oplopen naar 4 procent. Voeding is nu al gemiddeld 6 procent duurder dan vorig jaar, en de sterk gestegen prijs van benzine is voor iedereen zichtbaar. De woningmarkt lijkt tot stilstand te komen, de hypotheekrente loopt op en in het eerste kwartaal van dit jaar zijn 15 procent minder hypotheken afgesloten ten opzichte van een jaar eerder. En dan is er nog de kredietcrisis, waarvan niet zeker is of deze haar ergste fase achter de rug heeft. Nog vanmorgen kondigde bank-verzekeraar Fortis noodmaatregelen aan om zijn eigen vermogen te versterken.

De economie bevindt zich op dit moment in onbekend vaarwater. Er zijn tekenen van stagnatie, en van oplopende inflatie. Als beide trends doorzetten, dan opent zich het perspectief van de jaren zeventig toen ‘stagflatie’ beleidsmakers voor een dilemma stelde. Moet de inflatie met renteverhogingen beteugeld worden terwijl de economie er toch al zwak voorstaat, of moet de economie worden gestimuleerd met als gevaar dat de inflatie uit de hand loopt?

Geen wonder dat de consument in de war is, en het vertrouwen in de toekomst even kwijt is. Dat wil niet zeggen dat er in de reële economie al reden is tot ongerustheid. Tot nu toe vallen de economische indicatoren mee, ten opzichte van de doemscenario’s die circuleren. De groei in het eerste kwartaal was voor de eurolanden veel beter dan gedacht.

Vervolg Vertrouwen: pagina 17

Gedrag is onvoorspelbaar

De consument lijdt op dit moment het meest het lijden dat hij vreest.

Dat is te zien aan de zeer negatieve indruk die de burger op dit moment heeft van het economische klimaat. Het oordeel over de eigen financiële situatie en het voorgenomen koopgedrag is ook negatief, maar veel milder. Het resultaat is een vonnis dat de laatste jaren wel vaker uit opinieonderzoek komt: met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht.

Nederland staat zeker niet alleen in het vertrouwensverlies. In de VS bereikte het oordeel over de economische situatie dinsdag de laagste stand sinds in 1964 met metingen werd begonnen. Ook in Duitsland en Italië is het vertrouwen gedaald, en vanmorgen toonde ook Frankrijk een dip.

Economen kregen vertrouwenseffecten in het vizier toen die in de crisisjaren dertig een rol leken te spelen bij diepte en duur van de economische depressie van destijds. De econoom Keynes refereerde eraan bij zijn verwijzing naar de animal spirits, de dierlijke driften, in het economisch proces. Ondernemers en consumenten investeren en spenderen meer als zij de toekomst rooskleurig tegemoetzien. Dat brengt een positieve spiraal op gang. Maar een groot vertrouwensverlies kan ook neerwaarts werken.

Op de financiële markten wordt goed gelet op cijfers over het consumentenvertrouwen. Maar het is verre van zeker of vertrouwensindicatoren ook voorspellend werken. Bekend is dat schokkende gebeurtenissen, zoals het bankroet van een groot bedrijf of het winnen van het EK-voetbal, flinke negatieve of positieve effecten kunnen hebben op het vertrouwen. Maar ze duiken vervolgens zelden op in het daadwerkelijke koopgedrag van consumenten. En om dat laatste gaat het: consumptieve bestedingen maken in het doorsnee westerse industrieland zo’n 60 procent uit van het bruto binnenlands product (bbp). In de VS, waar de rol van de overheid kleiner is, zijn ze zelfs goed voor tweederde.

Het vertrouwen zelf is dus als indicator pas iets waard als het een voorbode is van daadwerkelijk gedrag. En bij dat gedrag spelen reële factoren, en dan vooral de ontwikkeling van de werkgelegenheid, de hoofdrol.

Dat neemt niet weg dat het consumentenvertrouwen zijn waarde wel degelijk heeft. De meting is relatief snel: de gegevens van vanmorgen zijn in juni verzameld, en worden aan het eind van die maand ook gepubliceerd. Op data over wat er in juni werkelijk is gebeurd in de economie – van de industriële tot de consumptieve bestedingen en de ontwikkeling van het bruto binnenlands product – moeten economen en analisten op de financiële markten nog maanden wachten. Hoe snel de conjunctuur aan vaart verliest, en hoe diep het dal dan wordt, is nog gissen. Maar het vertrouwen voorspelt, voor wat het waard is, niet veel goeds.

Discussier mee over hoe diep de crisis op dit moment is op nrc.nl/discussie