Brede overeenstemming over Europese cultuur

Landen in Europa vullen het eigen culturele canon aan met identieke Europese cultuurdragers. „Ik zie veel continuïteit en weinig cultureel relativisme.”

Componist Sweelinck zit één keer in Nederlandse examens, net als popzanger Henk Westbroek. In Engelse examens zit Sweelinck twaalf keer. Foto’s Picture Alliance en Evelyne Jacq Nederland, Utrecht, 13-03-2003 Broos Schnetz links en Henk Westbroek in hun stamcafe. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Warna Oosterbaan

Politiek mag Europa zo zijn onzekerheden kennen, de Europese cultuur is betrekkelijk onomstreden. In de meeste Europese landen zijn in de nationale culturele canons de Europese cultuurdragers nadrukkelijk aanwezig. Componisten als Mozart, Bach, Beethoven, Chopin, Schumann, Debussy en Händel, en beeldend kunstenaars als Picasso, Michelangelo, Bernini, Matisse, Rembrandt en Da Vinci worden in vrijwel alle Europese landen nog steeds in hoge ere gehouden.

Dat blijkt uit een internationaal onderzoek naar eindexamenopgaven waaraan hoogleraar Cultuurwetenschappen Ton Bevers van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam de afgelopen jaren werkte. Bevers presenteerde zijn onderzoek vorige week op de universiteit tijdens de internationale conferentie Classification in the Arts and Media.

Bevers analyseerde de eindexamens van vwo-opleidingen in de vakken muziek en beeldende kunst in tien Europese landen. ,,Het ging me niet om onderwijskundige kwesties”, zegt hij, ,,maar om de uitwisseling van cultuur tussen die landen. Daarvoor zijn eindexamenopgaven een goede indicatie.”

Het Europees gehalte van de opgaven vindt Bevers één van de opvallendste uitkomsten van zijn onderzoek. Als er opgaven waren die gingen over de cultuur buiten Europa betroffen die vrijwel altijd de Amerikaanse cultuur. Bevers: ,,Ik zie veel continuïteit en heel weinig cultureel relativisme. De belangstelling voor Afrikaans trommelen, salsadansen of Japanse tekenfilms vind je niet terug in de examenopgaven. ”

Tegelijkertijd blijkt dat er van onzekerheid over de eigen culturele identiteit in een tijd van verdwijnende grenzen weinig sprake is. Bevers analyseerde ruim 13.000 opgaven uit de periode 1990-2007 en in die opgaven bleek de eigen cultuur in vrijwel alle landen dominant aanwezig te zijn. Bevers: ,,Over culturele canons wordt veel gediscussieerd, er zijn zorgen over het vervagen van de culturele identiteit. Maar terwijl er geen wettelijke bepalingen voor zijn, is de positie van de eigen cultuur in de eindexamenopgaven van de Europese landen betrekkelijk sterk - al zijn er uitzonderingen. Bijvoorbeeld in Nederland en Denemarken. Daar is heel weinig aandacht voor de eigen muziekcultuur.”

Bevers constateert het bestaan van een ,,dubbele loyaliteit”: in elk land bestaat de culturele canon uit het eigen culturele erfgoed, en dat wordt in ieder land aangevuld met een Europese canon, waarover een brede en opvallende overeenstemming bestaat.

Grote landen verschillen wat dit betreft wel van de kleinere. ,,De grote landen oriënteren zich nog meer op hun eigen cultuur, kleinere landen hebben de neiging ook veel naar de helden van de grote landen te kijken. In de muziek is de Duits-Oostenrijkse traditie (Bach, Beethoven, Mozart) dominant, maar toch besteden grote landen als Engeland, Frankrijk, Spanje en Polen de meeste aandacht aan hun eigen muziek.”

De muziek uit landen als Nederland, Denemarken, Noorwegen en Slovenië, maar ook die van Spanje en Polen krijgt nauwelijks aandacht in de eindexamens van de culturele grootmachten. Bevers: ,,De grote landen negeren de kleine landen, maar er komt nog bij dat de kleinere landen ook elkaar negeren. Je ziet wel dat kleinere landen, meer dan de landen met een sterke culturele traditie, veel vragen stellen over moderne genres: popmuziek, jazz en amusementsmuziek.”

In de beeldende kunsten is de nadruk op de eigen cultuur sterker dan in de muziek. Op Portugal na besteden de onderzochte landen in hun eindexamens verreweg de meeste aandacht aan de eigen nationale kunst, en ook hier valt op dat grote landen geen belangstelling hebben voor kleinere landen, en kleinere landen ook niet voor elkaar.

Er is wel internationale belangstelling voor de beeldende kunst van Nederlandse bodem, voornamelijk voor de kunst van de Gouden Eeuw. Die internationale belangstelling weerspiegelt zich overigens nauwelijks in de Nederlandse opgaven ,,In de Nederlandse eindexamens komt Rembrandt tussen 1990 en 2007 maar vijf keer voor – op een totaal van 281 opgaven over Nederlandse kunstenaars.” Ook Van Gogh (vier keer) en Mondriaan (vijf keer) komen er in de Nederlandse eindexamens betrekkelijk bekaaid af.

Cultuurhelden die in de examenopgaven van de eigen natie niet voorkomen, maar in die van andere landen wel zijn er volop. Bevers: ,,De componist Sweelinck komt in de Nederlandse opgaven net zoveel voor als Henk Westbroek en Trijntje Oosterhuis: éen keer. Maar in de Engels opgaven zie je Sweelinck 12 keer terugkomen. Duitse componisten als Carl Maria von Weber, Buxtehude en Stockhausen worden niet in Duitsland maar wel in andere landen genoemd. En als je kijkt naar Nederlandse beeldende kunstenaars: Avercamp, Cuyp, De Hoogh, Van Doesburg, Dumas – ze komen niet in de Nederlandse opgaven voor, maar wel in die van het buitenland.”

Moeten we uit die gegevens afleiden dat er in Nederland over de canon een minder sterke overeenstemming bestaat dan in andere landen? Bevers: ,,Dat zou je kunnen zeggen, ja. Nederland volgt het patroon van de kleine landen, maar daar komt bij dat er in de beeldende kunst weinig aandacht voor onze eigen Gouden Eeuw is. Bijna de helft van de opgaven gaat over de kunst van na 1950 – en daar zijn de reputaties nog niet zo sterk gevestigd. Datzelfde geldt overigens ook voor de muziekopgaven: bijna de helft gaat over muziek van na 1950. En in de toptien van veel genoemde componisten komt geen enkele Nederlander voor.”