Alleen

Aan het begin van de avond stond ik op een bus te wachten, terwijl ik ijsbeerde op het stoepje voor de abri. Zouden ijsberen dat inderdaad ook zo doen, vroeg ik me even af, of hebben we dat maar voor de aardigheid verzonnen?

Achter mij in het hokje zat een bejaarde vrouw roerloos op een bankje. Er kwam pas leven in haar toen een vrouw van mijn leeftijd – stúkken jonger dus – naderde.

„Kom hier maar zitten”, gebaarde ze naar de vrouw, „het is altijd fijn als er iemand naast je zit, je moet tegenwoordig zó opletten.”

Ik voelde me niet echt gepasseerd, maar vroeg me onwillekeurig toch even af of ik en profil iets van een straatrover, misschien zelfs een verkrachter, had. Je weet nooit precies hoe je op de medemens overkomt, en je doet er in ieder geval goed aan daar geen hoge verwachtingen van te hebben.

„Het lijkt me hier toch niet écht gevaarlijk”, zei de andere vrouw terwijl ze op het bankje plaatsnam.

„Ik let altijd goed op, waar ik ook ben. Vooral sinds mijn man overleden is.”

De oude vrouw wees op een complex van bejaardenwoningen aan de overkant van de straat. „Daar hebben we lang gewoond. Na zijn dood ben ik een hele tijd van slag geweest. Ik kon niet meer uit mijn bed komen. Waar doe je het nog allemaal voor? Ik ben toen een poosje bij mijn zoon ingetrokken, hij woont hier vlakbij. Ik kom er net vandaan. Ik woon er niet meer, hoor, maar hij is op vakantie en ik moet een paar weken op mijn kleinzoon passen, een jongetje van elf.”

„Woont uw zoon dan alleen?”

„Gescheiden.”

Ze zei het met die berustende vlakheid waarin wel meer ouders het relatieleed van hun kinderen verpakken. „Maar hij houdt van reizen, en dat moet doorgaan. Die kinderen willen allemaal zóveel: reizen, feesten, alle mooie dingen van het leven. Weet je waar ik naar verlang? Naar het huis van mijn moeder. We waren met z’n achten, een fijn gezin, mijn vader is vroeg overleden, maar mijn moeder hield het zaakje bij elkaar. Nu zijn ze allemaal dood. Ik heb alleen nog neven en nichten, maar wat moeten die met mij?”

Ik hield even op met mijn gedrentel en bleef aan de rand van de stoep staan, terwijl de vrouwenstemmen achter mij daalden en rezen. Zou ik op mijn oude dag ook zo openhartig worden tegen willekeurige voorbijgangers? Het was te hopen voor een nieuwe generatie stukjesschrijvers.

„Ik ga nu even de post ophalen in mijn huis, twee haltes verderop”, zei de oude vrouw. „Daar woon ik in een flat voor 55-plussers. We wonen zelfstandig, maar we hebben ook gemeenschappelijke ruimtes. Als vrouw alleen moet je natuurlijk wel je plaats kennen. Mijn buurvrouw, ook alleenstaand, was bevriend met een echtpaar. Die man deed altijd heel vrolijk als zij op bezoek was, je weet hoe die mannen zijn, en zijn vrouw werd jaloers. Dus op een dag belt ze mijn buurvrouw en zegt: „Je hoeft niet meer te komen.” „Waarom niet?” vraagt mijn buurvrouw. Zegt die vrouw: „Waarom moet jij altijd je hondje uitlaten op hetzelfde uur als Ton?”

Onze bus kwam aangereden. De oude vrouw legde haar hand op de arm van de andere vrouw. „Sluit als alleenstaande vrouw nooit vriendschap met een echtpaar”, zei ze.

Ik vroeg me af of dit ook voor de alleenstaande man gold, maar we moesten verder, altijd maar weer verder.

    • Frits Abrahams