Zorgwekkend

Het is niet aan iemand die haar moederlijke gevoelens richt op een hond om uitspraken te doen over het voortplantingsgedrag of de opvoedingsmethoden van anderen. Het zal ook wel zo zijn dat kinderen al geruime tijd eerder overbeschermd worden en dat overbeschermde kinderen niet noodzakelijk tot goede mensen, maar meestal wel tot overgevoelige volwassenen uitgroeien.

Toch telt mijn buurt nogal wat zorgwekkend onbeschermde spruiten en valt er, vind ik, iets te zeggen voor de verplichting van voorbehoedsmiddelen, in sommige gevallen, na een kind of vijf.

Mijn overbuurvrouw is een lief mens en omdat men zich gemakkelijk iets bij haar eigen jeugd kan voorstellen, is het onzinnig haar met het woord ‘schuld’ te benaderen.

Haar oudste dochter is een jaar of zestien en goed op weg om de plaatselijke Vicky Pollard te worden, al hangt zij meestal elders rond. Dan zijn er drie blonde, rondhoofdige jongetjes van verschillende grootte, die zelden een trapje vormen omdat zij bijna nooit samen thuis wonen.

Dat was wel nog zo op het moment dat ik de middelste van de drie onderschepte toen hij met een joekel van een naar zijn blauwe oogjes wijzende schaar achter een kat aanzat om die open te knippen. Nadat de kleinste van een twee meter hoge kast viel en met een schedelbreuk naar het ziekenhuis werd gevoerd, kregen alle kinderen andere onderkomens.

Het voorval bracht tijd en plaats voor nieuw leven. Een paar maanden later werd een meisje geboren. Ik vroeg Overbuurvrouw hoe ze heette, waarop zij na een moment van twijfel als een oude uitheemse kraai KYAKA! schreeuwde. Haar vriendin verduidelijkte lachend dat ze weer ‘Kyara’ wilde zeggen. Zo zou ze het kind eerst noemen, maar aangezien iedereen al Kyara heet tegenwoordig, maakte ze er Kyaka van.

Kyaka is nu anderhalf, maakt mij triest en zoekt mij op. Ik heb haar nog nooit zien lachen, maar lopen kan ze als de beste. Als ik mijn deur open, staat ze soms met één schoen aan en een plastic emmertje in haar hand te wachten.

We kijken elkaar contemplatief aan tot ik een glimlach forceer, waarna zij mij voorbij stormt, mijn huis in, klaar om zich een schedelbreuk te vallen. Ik pel haar handjes voorzichtig van mijn laptop, zet haar ergens anders neer, wijs naar de hond, vraag: „Wie is dat?” en zij roept: „Foef!” In het Vlaams betekent dat kut.

Terwijl ik het kind na een lange zoektocht in Overbuurvrouws armen duw, vertelt die mij trots dat één van haar vier katten zeven jongen heeft gekregen.

Vaak zie ik Kyaka tussen de afvalzakken, het speelgoed en het platte gras in hun tuin, haar vingertjes door het kippengaas, de ernstige blik op mij. Ik versta haar peutertaal niet en wuif ‘dada’.

De wind blaast zacht in haar lichte haar. Ze is veel te lief, zegt nog iets met meer aandrang en ik weet dat het belangrijk is. „Dada”, zeg ik voor ik de hond op de achterbank van mijn wagen laat springen. Door het glas zie ik Kyaka’s mond nog bewegen.

In de achteruitkijkspiegel laat een handje het gaas los om terug te wuiven. Ik heb niets met haar te maken, droog mijn tranen en mest mijn hond vet. We zijn allemaal personages.