Zeetje

Voor het eerst kon ik gisteren de windmolens voor de kust van Egmond aan Zee goed zien. Als het heiig weer is, kun je ze alleen ergens aan de horizon vermoeden, maar nu was het helder genoeg om hun contouren uit het water te zien oprijzen. Het zijn er 36, las ik ergens, en ze beslaan een gebied van 27 vierkante kilometer.

Ik kreeg een beetje medelijden met de Noordzee. Het is altijd een stoere plas water geweest, maar nu lijkt hij op een wild dier dat gedomesticeerd is. De Noordzee is bij Egmond een zeetje geworden, een brave vijver.

Voor de badgast, die vroeger melancholiek naar de horizon kon staren, is de illusie van de eindeloosheid verdwenen. De menselijke hand heeft in de verte een soort schutting opgetrokken. Daar zwaaien witte, metalen wieken aan hoge palen uitdrukkingsloos naar ons. Je wilt ze niet zien, maar je ziet ze juist daarom altijd.

De poëzie van de zee is doorgekrast, er is grauw proza voor in de plaats gekomen.

Je kunt bij Egmond nog steeds, alsof er niets aan de hand is, in zee pootjebaden en zwemmen, maar je kunt ook thuisblijven en in de badkuip plaatsnemen – er is geen essentieel verschil.

Word ik nu te sentimenteel? Voor veel badgasten wél, denk ik. Ik heb een tijdje naar hen zitten kijken en luisteren. Het hoogseizoen is nog niet helemaal begonnen en het leek daarom net alsof de mensheid maar uit twee generaties bestond: een jonge en een oude. De jongeren wiegden hun baby’s, de ouderen – veel Duitse echtparen – keken ernaar.

De mensen die de zee bij Egmond nooit eerder hadden gezien, wezen elkaar er onmiddellijk op: „Kijk, molens.” Daarna legden ze zich gelaten bij de feiten en hun uitgetrokken kleren neer. Er was toch niets meer aan te doen, het zou wel ergens goed voor zijn.

En misschien is dat ook wel zo. Ik heb de discussie tussen voorstanders en tegenstanders van windmolens een tijd lang proberen te volgen, maar ik heb het opgegeven. Ze slaan je om de oren met redeneringen en cijfers die je als buitenstaander niet kunt beoordelen. Voor deskundige X is de windmolen onontbeerlijk bij het winnen van schone, duurzame energie, voor deskundige Y kost de windmolen ons veel te veel geld (subsidie) en levert hij ons uiteindelijk niets op.

De milieubeweging is erg vóór, maar ik hoor ze daar zo weinig over de aantasting van datgene waar een mens zo verlangend naar kan uitzien: zijn uitzicht. De zee en het land mogen niet worden vervuild, het uitzicht erop wél. Het windmolenpark bij Egmond was het eerste in zee, bij IJmuiden is inmiddels een tweede park geopend en er zullen er nog wel meer volgen. Als er één molen is, komen er altijd meer. Afbreken is veel moeilijker.

Ik nam ook een kijkje in het kantoor van de VVV van Egmond, waar Shell en Nuon, de bouwers van het windmolenpark, een tentoonstelling hebben ingericht. Eerst schreef ik snel een klacht van een Duitse badgast uit het gastenboek over: „Wir kommen seit Jahren hierher, wir lieben Egmond aan Zee, der schönste Fleck! Aber was ist los? Alles voller Hundekack!”

Daar kan geen windmolen tegenop.

Wat mij op die tentoonstelling opviel, was dat Shell en Nuon amper een woord vuil maakten aan de bezwaren tegen windmolens. Teken van een slecht geweten?