Wolken van meeuwen en sterns

Op het kleine nieuwe eiland De Kreupel in het IJsselmeer broeden naar schatting zo’n vijfduizend paar visdieven, de grootste broedkolonie van Nederland, met volop spiering in de nabijheid.

Boswachter Leon Kelder bij de bouwkeet op het eiland De Kreupel. Foto Koos Dijksterhuis Dijksterhuis, Koos

De jongste IJsselmeerpolder is tevens de kleinste. Zeventig hectare meet het eilandje De Kreupel in het IJsselmeer, acht kilometer voor de kust van Medemblik. In 2003 spoot Rijkswaterstaat er twee zandplaten op, waaromheen als een atol een lage dam van basaltblokken verrees. Tussen de zandplaten en de dam is ondiep water.

Rijkswaterstaat liet de vijfhonderd bij vijftienhonderd meter grote landaanwinning over aan Staatsbosbeheer, die het weer overliet aan de elementen. „Het lijkt of we tussen de twee delen heen kunnen varen”, zegt boswachter annex schipper Leon Kelder, „maar we moeten eromheen, anders loopt zelfs deze opblaasboot tegen de grond. En de vaarroute verandert steeds. Afhankelijk van de wind vallen ondiepten droog of staan ze blank. En de geulen liggen nu eens hier, dan weer daar.”

Het eilandje heet De Kreupel, genoemd naar een geul in de IJsselmeerbodem waar veel spiering zwemt. Spiering is een voedzame vis voor sternen, meeuwen en aalscholvers. Dat blijkt wel, als we het eilandje naderen. Het slaat wit uit, met hier en daar een toefje zwart. Visdieven, kokmeeuwen en toefjes aalscholver. We passeren de boeien die markeren tot waar en niet verder vaartuigen mogen varen.

Kuifeenden met tien, vijftien kuikens peddelen verschrikt opzij. Zo veel kuikens; dat moeten meerdere gezinnen zijn, geadopteerd of gebabysit door die ene volwassen eend, die het met nep-lamme vleugels op een flappend en spetterend wegvluchten zet. Ze haast zich van de jongen af. Hier en daar lummelen mantelmeeuwen rond. Direct komen er twee aangevlogen. Schijnbaar terloops zweven ze een meter of twintig na elkaar op de eendenkuikens af. De mollige, zwarte donsbolletjes duiken onder als de eerste mantelmeeuw aanvalt. Als ze weer opduiken passeert mantelmeeuw nummer 2. Hij grijpt mis. Vanuit de verte kijken we hoe dit afloopt. „Mantelmeeuwen opereren altijd samen, ze zijn heel slim”, weet Kelder. Als de meeuwen zich hergroeperen, pakt zich plotseling een krijsende onweerswolk samen van honderden kokmeeuwen en visdieven. Ze storten zich op de mantelmeeuwen, die zich uit de vleugels maken.

„Tegen zo’n muur van geweld kunnen mantelmeeuwen niet op”, grijnst Kelder. Als we bij de bouwkeet twee vogelwachters afzetten, laat hij even wat eieren en kuikens zien van visdiefjes. We lopen niet rond, omdat we dan net als die mantelmeeuwen de broedvogels zouden opjagen. „Er broeden naar schatting vijfduizend paar visdieven”, zegt hij. „De grootste kolonie van Nederland en misschien wel Europa.” Ze hebben hier rust, veiligheid en spiering naast de deur. Bijna alle broedkolonies op de vaste wal zijn verlaten, de vogels zijn naar De Kreupel verhuisd. En het aantal stijgt nog steeds, de vogels zijn weldoorvoed, de meeste hebben drie eieren of kuikens. „Het is riskant dat alle visdieven op één plek broeden”, zegt Kelder, „na een ramp ben je alles kwijt. Maar op den duur raakt het hier vol en zullen ze de rest opnieuw koloniseren. Ik had nooit verwacht dat er vijfduizend paar zouden komen. Het moet wel een paradijs voor ze zijn.”

En ook nog 3500 paar kokmeeuwen, 2500 paar aalscholvers, kluten, bontbekplevieren, een paar soorten eenden. En lepelaars? „Nee”, zegt Kelder, „die had ik wel verwacht. Ze komen langs in de nazomer, maar broeden hier nog niet. Terwijl er een kolonie met 81 paar is aan de wal bij Onderdijk. Daar heeft laatst een hond huisgehouden en tientallen jonge lepelaars doodgebeten. Hier zouden ze veiliger zitten.”

Visdieven zijn sterns die van zoet water houden. Een andere zoetwaterstern is de zwarte. In de nazomer komen hier zo’n beetje alle zwarte sterns van Noord-Europa bijeen. Uit Finland, de Baltische staten, Polen komen ze na het broedseizoen op de visgronden van het IJsselmeer af. Ze blijven een paar weken en vliegen dan verder naar hun winterkwartier in West-Afrika. Zonder het IJsselmeer halen ze het niet. Vroeger sliepen ze dan op het Balgzand, het wadreservaat ten noorden van Wieringen. Nu slapen ze op De Kreupel. „Er zijn hier dan zeker vijftien-, twintigduizend zwarte sterns tegelijk”, zegt Kelder, „en vorig jaar hadden we er 75.000.”

Het klinkt en ruikt hier naar water en vogels. Uit het raam van de bouwkeet zie je vogels en horizonnen. En knalgeel strand. Het eiland raakt begroeid met knalgele muurpeper. Wat een fantastische plek. De vogelwachters mogen blijven, maar wij vertrekken alweer. Kelder start de 80 pk buitenboordmotor. Voorzichtig tuffen we het ruime sop in. Dan brult de motor, steigert het scheepje en spuiten we met een noodgang naar de wal.