Solidair zijn we ’t liefst alleen met winnaars

Sport brengt eendracht: we waren allemaal samen heel erg ‘trots op Oranje’.

Maar na Oranjes verlies is het weer ieder voor zich. Is ons Oranjegevoel hypocriet?

Een aloude wijsheid luidt dat sport verbroedert. Maar gaat dat alleen op als er gewonnen wordt? Slechts 120 minuten en drie Russische doelpunten waren er nodig om het Oranjegevoel waar Nederland door bevangen was weg te vagen. Een week lang voelde bijna iedereen zich ‘trots op Nederland’ – sommige commentatoren spraken zelfs al voorzichtig van een nieuw soort saamhorigheid na jaren van maatschappelijke verdeeldheid. Maar na de verloren wedstrijd tegen het Rusland van Guus Hiddink was van het Hollandse groepsgevoel weinig meer over. „De blijmoedige eensgezindheid van massa’s in oranje uitgedoste supporters was in één klap verdwenen. Het is nu weer ieder voor zich”, constateerde deze krant enigszins weemoedig in een achtergrondreportage daags na de kwartfinale.

Maakt dat ons Oranjegevoel hypocriet? Of zegt het eerder iets fundamenteels over de oorzaak van saamhorigheid tussen mensen? Wie de sociologische en filosofische verklaringen er op naslaat, ontdekt dat groepsgevoel en solidariteit vaak zeer chauvinistisch en etnocentrisch van aard zijn. Eén ingrediënt blijkt namelijk van onmisbaar belang: het gevoel beter te zijn dan een ander. En dat gaat niet alleen op voor het voetbalspel. Politici die pleiten voor meer solidariteit – op nationaal en Europees niveau – kunnen dan ook een waardevolle les trekken uit de eendracht die vorige week even snel verloren ging als dat ze op ons neer was gedaald.

Hoe komt solidariteit tussen mensen tot stand? Een van de meest gezaghebbende theorieën over groepsvorming is de Sociale Identiteitstheorie van de Pools-Britse socioloog Henri Tajfel (1919-1982). De theorie is te ingewikkeld om hier volledig uit de doeken te doen, maar de kern ervan is simpel: mensen identificeren zich met een groep om er eigenwaarde aan te ontlenen. Groepsvorming heeft volgens Tajfel dus een egocentrisch motief: mensen associëren zich met anderen om zich beter te voelen over zichzelf. Ze proberen hun zelfbeeld te verbeteren door een positieve sociale identiteit te putten uit de groep waartoe ze behoren.

En de manier waarop mensen dat doen is volgens Tajfel door de eigen groep positief te onderscheiden van een andere groep – een ‘tegenstander’. Beroemd in dit kader is Tajfels experiment, waarin hij mensen de opdracht gaf om een bepaalde hoeveelheid geld te verdelen onder zowel de eigen groepsgenoten als de leden van een andere groep. De verdeelsleutel was daarbij als volgt: een klein bedrag voor de eigen groep betekende dat de concurrent er bekaaider af kwam dan zij zelf. Gunde men de eigen groepsgenoten daarentegen juist een groot bedrag, dan kreeg de tegenstander een nóg grotere bonus. Tajfel ontdekte dat mensen, ondanks het ongunstigere netto resultaat, meestal kozen voor minder geld om zich daarmee een bevoorrechte positie ten opzichte van de andere groep te verwerven.

De uitkomst van het experiment is een mooie illustratie van wat de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) ooit de „noodzakelijke ethnocentriciteit van solidariteit” noemde. Daarmee bedoelde hij precies wat Tajfels onderzoek bevestigt: dat saamhorigheid tussen mensen ontstaat uit een superioriteitsgevoel ten opzichte van anderen. En dat is ook logisch: alleen aan een groep ‘winnaars’ is eigenwaarde te ontlenen. Er lijkt zelfs sprake van een lineair verband: hoe groter de gevoelde superioriteit, des te beter voor de eigenwaarde, en des te sterker het groepsgevoel. Daarom steeg de Oranjekoorts tot ongekende hoogte toen er werd gewonnen van wereldkampioen Italië en vicewereldkampioen Frankrijk; winst tegen zulke tegenstanders geeft een enorm gevoel van suprematie. En daarom was de solidariteit met Nederland ook onmiddellijk verdwenen toen er werd verloren van outsider Rusland; het gevoel beter te zijn dan de rest was weg.

Nu klinkt dit nogal voor de hand liggend, maar zo evident is het niet. Solidariteit wordt namelijk door maar weinig mensen beschouwd als de uitkomst van een gevoel van superioriteit. Integendeel, de meeste mensen begrijpen solidariteit precies andersom: als een gevoel van mededogen en morele plicht jegens de zwakkeren. Zo is solidariteit namelijk eeuwenlang – eerst door het christendom en later in een geseculariseerde variant door verlichtingsdenker Kant – gedefinieerd en gepropageerd. Maar volgens Richard Rorty doet dat geen recht aan de ware aard van onderlinge lotsverbondenheid. Want, „de kracht van ‘ons’”, schrijft Rorty in zijn boek Contingentie, Ironie en Solidariteit (1984), „zit typerend genoeg in het contrast dat het vormt met ‘zij’ – het verkeerde soort mensen”.

Mensen aanspreken op hun moreel verantwoordelijkheidsbesef om solidariteit te bewerkstelligen heeft dan ook meestal geen zin. Dat bleek bijvoorbeeld uit het feit dat het ‘moreel appèl’ van de PvdA aan topmanagers om uit solidariteit hun exorbitante salaris af te romen, juist een averechts effect sorteerde. In plaats van zich solidair te verklaren met de minder bedeelden, verklaarden de topmanagers zich solidair met elkaar door zich gezamenlijk te beklagen over de aanhoudende kritiek die ze de afgelopen jaren te verduren hebben gekregen. Dat is geheel in lijn met de theorie van Tajfel en Rorty: de socialistische critici werden langzaamaan een ‘tegenstander’ van de topmanagers en veroorzaakten daardoor juist saamhorigheid in die groep.

Een betere manier om groepsgevoel te kweken is dan ook het creëren van een vijand. Politici als Rita Verdonk en Geert Wilders hebben dat beter begrepen dan de sociaal-democraten. Zij spreken mensen niet aan op hun verantwoordelijkheidsgevoel, maar scheppen een tegenpartij; ze doen ‘het buitenland’ voor als een bedreiging en spiegelen tegelijkertijd de eigen cultuur voor als superieur. Daarmee wakkeren ze een gevoel van nationale lotsverbondenheid aan die in essentie niet veel verschilt van het gevoel dat mensen hebben als het Nederlands elftal het moet opnemen tegen een groot voetballand. Alleen heet de tegenstander dan niet Italië of Frankrijk, maar ‘immigratiestromen’ of ‘de islam’.

Om het voor elkaar op te nemen, moeten mensen het dus tegen anderen opnemen. Die paradox is misschien nog wel het beste terug te zien in de discussie over de noodzaak van een verenigd Europa. Het verschil van mening tussen ‘eurofielen’ als staatssecretaris van Europese Zaken Frans Timmermans (PvdA) enerzijds en eurosceptici als Kamerlid Harry van Bommel (SP) anderzijds, bestaat op het meest fundamentele niveau eigenlijk alleen maar uit onenigheid over wie de tegenstander is. De eurofielen beschouwen de dreiging van terrorisme uit het Midden-Oosten en de oprukkende economieën in Azië als onze voornaamste ‘tegenstanders’ en zien in een solidair Europa dus het beste verweer. De eurosceptici zien juist in het steeds machtigere Brussel en de economische immigranten uit Oost-Europa de grootste ‘tegenstanders’ en beschouwen solidariteit met het eigen land als oplossing. De conclusies staan dus weliswaar haaks op elkaar, maar de premisse is dezelfde: de noodzaak van een ‘wij’ bestaat bij gratie van de dreiging van een ‘zij’.

Dat zou je de catch 22 van solidariteit kunnen noemen: ze kan niet zonder vijand. Voor het échte Oranjegevoel zullen we dus weer moeten winnen van een tegenstander van formaat. Erg lang hoeft dat overigens niet te duren: de eerstvolgende wedstrijd van het Nederlands elftal is op 20 augustus. Tegen Rusland.

    • Rob Wijnberg