Sandro Chia’s rafelranden

Sandro Chia: ‘Collision, Derision, Precision’ (olie op doek, 2002, 181x160cm.)

Beeldende kunst Tentoonstelling Sandro Chia, schilderijen. T/m 28/9 in Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41. Inl: www.gemeentemuseum.nl

Na 25 jaar is er dan weer een tentoonstelling van Sandro Chia in ons land. Chia (Florence, 1946; woont in Miami, Rome en Montalcino) vormde in de jaren zeventig en tachtig samen met de twee andere ‘C’s’, Enzo Cucchi en Francesco Clemente, de Italiaanse Transavantgarde. De naam, bedacht door Bonito Oliva, criticus en woordvoerder van de groep, duidde erop dat deze schilders aan de avant-garde voorbij waren. Zij grepen vrijelijk terug op oude schilderkunstige tradities en verbeeldden een persoonlijke, vaak sprookjesachtige belevingswereld.

De Transavantgarde was deel van een internationale neo-expressionistische trend. De ‘Wilde Schilders’ veroverden stormenderwijs kunstmarkt en musea, ook in Nederland. Het was het moment waarop de markt, naar het zich laat aanzien definitief, dominant werd in de kunst. Achteraf bezien is het de vraag wat het neo-expressionisme heeft opgeleverd. In verhouding tot de stortvloed van destijds aan tentoonstellingen en publicaties lijkt het niet veel te zijn. Het werk van enkele kunstenaars is overeind gebleven, zoals in ons land René Daniëls. Maar wie kent nog de namen Elvira Bach, Rainer Fetting of John van ’t Slot, om een paar namen te noemen waar sinds lang niets van is vernomen?

Een deel van deze schilders is geheel verdwenen, een ander deel functioneert wel op de markt maar heeft geen positie meer in de kunstwereld. Chia behoort tot de tweede groep. De tentoonstelling van een serie recente schilderijen in het Haags Gemeentemuseum biedt de gelegenheid om te zien hoe zijn werk zich heeft ontwikkeld. Helaas stemt dit niet vrolijk. Chia exposeert gelikte, romantisch aandoende doeken, met hier en daar een zweempje Van Gogh, Matisse en Italiaans Futurisme. Ook toont hij enkele manshoge retrosculpturen in brons.

Interessant is dat Edy de Wilde, die als directeur van het Stedelijk Chia in 1983 exposeerde, hier al voor waarschuwde in een briefwisseling met de kunstenaar die gepubliceerd is in de catalogus van het Stedelijk. Het was misschien een beetje ongebruikelijk dat hij dit deed, omdat hij in feite kritiek leverde op het werk. Bij het teruglezen is dit heel verfrissend: hier is een museumdirecteur die zich werkelijk engageert met een kunstenaar en niet schroomt om zijn twijfels te verwoorden. Wat een verschil met tegenwoordig, nu musea geoliede publiciteitsmachines zijn geworden.

De Wilde schreef aan Chia: „Ik heb de indruk dat je in staat zou zijn je werk meer diepte te geven als je langer aan je schilderijen zou werken.” Chia heeft precies het tegenovergestelde gedaan. Waar hij vroeger nog experimenteerde met textuur en beeldopbouw, zoals te zien is aan het doek In acqua strana e cupa … (1979) dat door het Stedelijk is aangekocht, zijn de recente schilderijen glad en routineus.

De serie die nu in Den Haag is te zien zou zijn geïnspireerd door de Bamboccianti, een groep zeventiende-eeuwse Nederlandse en Vlaamse schilders in Rome die zich specialiseerden in boertige en platvloerse taferelen. Het was Chia’s intentie om daklozen af te beelden, zwervers die zich ophouden aan rafelranden van het hedendaagse Rome. Van zwervers en rauwheid is echter niets te bekennen. We zien juist het tegenovergestelde: per schilderij een mannenfiguur in een bosrijke omgeving, converserend met een of ander dier, een eekhoorn, varken of hond.

De mannen zijn door Chia geschilderd als mythische helden, monumentaal, eenzaam, soms naakt, en in een enkel geval komt een Victoria aanvliegen met een lauwerkrans. Het zijn pompeuze schilderijen die thuishoren in een b-galerie.