Onnodig onzeker en aarzelend

De overheid wil veel meer vrouwelijke burgemeesters. Hun aandeel stokt al jaren op 20 procent. Hanja Maij-Weggen: „Ik ben een beetje door mijn voorraad heen.”

„Ik heb graag ongelijk, maar ik acht het zeer onwaarschijnlijk dat de nieuwe burgemeester van Rotterdam een vrouw wordt.” Dat zegt Liesbet van Zoonen, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Zij schreef in het najaar van 2005 het rapport Burgemeesters (m/v): hun ambities, stijlen en evaluaties, over de positie van vrouwelijke burgemeesters. Rotterdam is volgens Van Zoonen een stad met een behoorlijk masculien imago (havenindustrie, ‘geen woorden maar daden’). In de profielschets staat dat de nieuwe burgemeester veiligheid in de stad prioriteit moet geven, en dat is iets waarvoor vrouwen zichzelf minder geschikt achten, aldus Van Zoonen.

De kans is daarom groot dat er straks weer een mannelijke burgemeester aan het roer staat in Rotterdam. Net als in de meeste Nederlandse gemeenten. Het aandeel vrouwelijke burgemeesters blijft al jaren steken op 20 procent. Veel te weinig, vindt de overheid. Daarom formuleerde zij in 2005 een concreet doel: in 2010 moest 40 procent van de burgemeesters vrouw zijn. Dat streven werd later algemener geformuleerd in het meerjarenbeleidsplan emancipatie 2006-2010: het aandeel vrouwen in álle politieke functies moet minimaal 45 procent worden.

In Noord-Brabant zijn 14 van de 68 burgemeesters vrouw (20,6 procent). Dat is iets meer dan het landelijk gemiddelde. „Maar dat is niet vanzelf gegaan”, benadrukt Hanja Maij-Weggen, commissaris van de koningin in Noord-Brabant. Volgens haar zijn er zo weinig vrouwelijke burgemeesters omdat „vrouwen gewoonweg te lang wachten met solliciteren”. „Bij mannelijke kandidaten zeg ik nog wel eens: zou je niet wat langer wachten voor je op een burgemeesterspost solliciteert? Wat meer ervaring opdoen? Bij vrouwen constateer ik juist dat ze onnodig onzeker zijn en aarzelen.”

Juist om die reden probeert Maij-Weggen met enige regelmaat getalenteerde vrouwen bijeen te brengen om ze te enthousiasmeren voor het burgemeesterschap. De laatste bijeenkomst leidde tot vier benoemingen, meldt ze trots. Na de zomer wil ze opnieuw een groep samenbrengen. „Ik ben, oneerbiedig gezegd, een beetje door mijn voorraad heen.”

De actieve rol van Maij-Weggen past in het plan waarover minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) de Tweede Kamer in november vorig jaar inlichtte. . Politieke partijen, commissarissen van de koningin en de huidige burgemeesters moeten actief zoeken naar vrouwen, hen enthousiasmeren en coachen. Ook de doorstroom van vrouwelijke burgemeesters naar grotere gemeenten moet verbeteren.

Hélène van Rijnbach-de Groot (57) is een schoolvoorbeeld. Nadat zij voor het CDA in Driebergen-Rijsenburg raadslid en wethouder was, werd Van Rijnbach in 1997 burgemeester in Rozendaal (1.100 inwoners). In 2000 ging zij naar Bunnik (14.000 inwoners). En in september wordt zij burgemeester in Etten-Leur, waar 41.000 mensen wonen. Ze is ook bestuurslid van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.

Van Rijnbach vindt dat meer vrouwen burgemeester moeten worden. Die hebben andere kwaliteiten dan mannen, zegt ze. Vrouwen zijn toegankelijk, en kunnen meer dingen tegelijk.

Maar ze moeten niet automatisch de voorkeur krijgen. „Dat werkt niet. Kies je iemand alleen maar omdat het een vrouw is, dan loop je een enorm risico. De inhoud moet doorslaggevend blijven, en er moet een klik zijn met de vertrouwenscommissie.”

Maij-Weggen trekt vrouwelijke burgemeesterskandidaten „een klein beetje” voor, erkent ze. „Daar ben ik heel open in. Ik laat een vertrouwenscommissie weten dat ik op zoek ben naar een vrouw. Ook zeg ik tegen die commissie dat ze niet moet twijfelen als ze zich goed voelt bij een vrouwelijke kandidaat.”

Het tekort aan vrouwen is niet zomaar op te lossen, benadrukt hoogleraar Van Zoonen. Wat vrouwelijke kandidaten vaak parten speelt, is dat zij hun ambities anders uiten. „Vrouwen drukken zich vager uit dan mannen. Daardoor denkt een selectiecommissie dat zo’n vrouw niet graag wil of nog twijfelt.” De oplossing lijkt simpel – vrouwen moeten assertiever worden. Toch is dat niet automatisch de remedie, zegt Van Zoonen. „Vrouwen zitten in een lastige positie. Als ze hun ambities openlijk uiten, worden ze soms bestempeld als vrouwen met kapsones, die zo nodig moeten. Het wordt niet gewaardeerd en soms zelfs afgestraft.”

Vertrouwenscommissies zouden volgens haar meer rekening kunnen houden met sekseverschillen. Ook moeten ze een profielschets zó opstellen, dat vrouwen zich er makkelijker in herkennen. Want ook het percentage vrouwelijke sollicitanten blijft sterk achter. Dat ligt voor een groot deel aan de commissies zelf, concludeert Van Zoonen. Bepaalde eigenschappen worden eerder toegeschreven aan een man dan aan een vrouw, zoals het voorbeeld van de veiligheid in Rotterdam illustreert. Door in de profielschets de aandacht te verleggen naar eigenschappen waar ook een vrouw zich in kan herkennen, zoals bevordering van de sociale cohesie, wordt het ook voor vrouwen aantrekkelijker te solliciteren.

Voor Rotterdam is dat te laat.