Nog altijd is de landbouw handwerk

Boeren in Kenia moeten meer voor hun veevoeding betalen. De tussenhandel is meer kwijt aan brandstof. Maar ook zonder de hoge wereldprijzen was de landbouw in Afrika al improductief.

Een boer in Kenia bewerkt met de hand een veldje tussen het maïs. „De landbouw heeft dringend technologische vernieuwingen nodig en de regering moet daarbij assisteren.” Foto AP A farmer works on a maize plantation in Maraguoa, Kenya, Monday Feb. 25 2008. Kenya's warring political parties resumed their lengthy and often bitter negotiations Monday to try to end a dispute over presidential elections that sparked nationwide violence. (AP Photo/Bernat Armangue) Associated Press

‘De hoge voedselprijzen in de wereld bieden Afrika gigantische mogelijkheden.” Vol hoop vertelt de Keniaanse landbouweconoom Andrew Karanja in het pluchen kantoor van de Wereldbank in Nairobi over een opleving van de agrarische sector, waarin 80 procent van de Kenia’s bevolking werkt.

Boerin Gladys Nyambura is niet zo hoopvol. Zij staat met haar voeten in de blubber op haar akker in Wangigi, veertig kilometer ten noorden van de Keniaanse hoofdstad. Ze merkt nog niets van een opbloei: „Ik ben te afhankelijk van tussenhandelaren en transporteurs, zij betalen me geen cent meer voor mijn productie en geven daarvoor de schuld aan de hoge olieprijzen. Alleen met meer steun kunnen we onze productie opvoeren.”

Kenia was eens het succesverhaal van de Afrikaanse landbouw. Met steun van de overheid floreerden de kleine Keniaanse boeren, die in 80 procent van Kenia’s voedselbehoefte voorzien. Regeringsorganisaties hielpen hen met kunstmest, zaden, marketing en garandeerde vaste prijzen. Volle melkbussen langs landweggetjes en de bouw van thee verwerkende fabriekjes wezen op economische voorspoed, de groei van televisieantennes op boerenhuisjes en de komst van elektrische waterpompen op sociale verandering. Kenia was tot tien jaar geleden zelfvoorzienend in voedsel en zowel kleine boeren als grootgrondbezitters droegen bij aan de export van thee en koffie.

Volgens landbouweconoom Karanja maakte de begin jaren negentig door westerse donorinstellingen als het IMF en Wereldbank afgedwongen liberalisering van de Afrikaanse economieën een einde aan de voorspoed. Vaste prijzen voor landbouwproducten en subsidies voor bijvoorbeeld kunstmest werden afgeschaft.

Afrika’s landbouwproblemen verschillen per land maar vertonen dezelfde hoofdelementen: beperkte toegankelijkheid tot kunstmest en krediet, gebrek aan opleiding, aan zaaigoed, aan modern gereedschap, aan marktinformatie, aan goede wegen (volgens Donald Kaberuka, hoofd van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, gaat 40 procent van Afrika’s landbouwproductie verloren door slechte infrastructuur, zoals wegen en opslagplaatsen).

Eenvoudige oplossingen zijn niet voorhanden. „Je kan westerse donoren de schuld geven omdat zij de liberalisering hebben afgedwongen”, vertelt een Britse landbouwexpert die anoniem wil blijven. „Maar de Afrikaanse, politieke elite die landbouw onvoldoende prioriteit geeft, treft evenveel blaam. Het heeft te maken met het algemene gebrek aan ontwikkeling. Een groene revolutie in Afrika kan niet van de grond komen zonder goede wegen en een goed opgeleide bevolking.”

Boerin Gladys Nyambura (55) draagt namaak rastahaar, kaplaarzen en een ouderwetse bloemetjesrok. Haar schamele hutje brak ze af en met de opbrengsten uit haar arbeid bouwde ze een woning van golfplaten met een vloer van cement en vensters met glas. Ze bezit een plastic sofaset met gehaakte hagelwitte kleedjes over de leuningen. Misschien krijgt ze volgende maand elektriciteit. Ze verbouwt op haar anderhalf hectare grote akker maïs en groentes, ze heeft fruitbomen en houdt varkens, kippen, bijen en één koe. De energieke vrouw staat in de omgeving bekend als vernieuwend, altijd bereid om een uitdaging aan te gaan. Zoals Gladys Nyambura zijn er miljoenen keuterboertjes in Afrika. Ze bieden perspectieven voor groei in de landbouw. Maar kleine boeren hebben smalle marges.

„Kunstmest”, lacht Gladys Nyambura, „dat gebruiken we nooit, veel te duur.” Slechts 2 procent van het gebruik van kunstmest in de wereld is in Afrika. Nyambura klaagt over het gebrek aan geld. „Voor vernieuwingen heb je investeringen nodig. En om je producten te verkopen, moet je de markt kennen. We weten dat de overheid ons niet meer zal bijstaan.” Landbouweconoom Karanja in Nairobi deelt die mening. „Er bestaat geen weg terug naar de periode van vóór de liberalisering. De regering vermoordt de privésector als ze nu gesubsidieerde kunstmest zou gaan verstrekken. De boeren moeten niet wachten op de overheid.”

Malawi verraste dit jaar de wereld door tegen het advies van instellingen als de Wereldbank gesubsidieerde kunstmest aan de boeren te verstrekken, waarna de oogst opvallend hoog uitviel. „Tja, wij landbouwexperts zijn sindsdien wel weer gaan nadenken over subsidies”, zegt Karanja peinzend. „Er is geen weg meer terug naar de situatie van vóór de liberalisering, maar we kunnen de boeren ook niet aan hun lot overlaten. In Kenia wensen we een meer regulerende rol van de regering. Nu heeft de regering zich volledig teruggetrokken, it is free for all. Afrikaanse landbouw heeft dringend technologische vernieuwingen nodig en de regering moet daarbij assisteren.”

Kleinschalige landbouw in Kenia en vrijwel alle andere landen op het continent geschiedt op primitieve wijze: met de hand aan de schoffel. Terwijl in Azië en Latijns-Amerika de opbrengst per hectare toenam door innovatie stagneert de voedselproductie in Afrika. Als gevolg daarvan zijn ongeveer 300 miljoen Afrikanen permanent ondervoed. Ieder jaar slaan er hongersnoden toe en moet er voor 5 miljard dollar aan voedsel worden geïmporteerd, naast de miljarden aan voedselhulp. Van de 30 door de mondiale hoge voedselprijzen getroffen landen in de wereld liggen er 22 in Afrika. De bevolkingstoename, de trek naar de steden en het achteruitlopen van de vruchtbaarheid van de grond versterken de negatieve trend.

Gladys Nyambura wijst op haar wild knorrende biggen. Drie jaar geleden bezat ze één varken, nu negentien. „Het probleem met de landbouw is dat niemand je vraagt wat je erin hebt gestoken. Een half jaar geleden betaalde ik 850 shilling [8,50 euro, red.] voor één zak varkensvoer, nu door de hogere voedselprijzen 1.500. Maar als ik mijn varkens aan het slachthuis verkoop, wil niemand extra betalen om mijn kosten te compenseren. Ik twijfel eraan of ik nu nog wel verder wil met mijn varkens.”

Vóór de liberalisering kochten overheidsorganisaties tegen vaste prijzen de boerenproductie op. „Het duurde soms maanden voor ze ons uitbetaalden en daarom verkochten we ook toen al vaak tegen lagere prijzen aan privéhandelaren”, vertelt een boer uit West-Kenia zonder nostalgie over de tijden van overheidsbemoeienis. De overgang naar de vrije markt was abrupt en kwam met een harde klap. „De overheid moet weer bijspringen. Door boeren bijvoorbeeld makkelijk toegang te geven tot leningen”, vindt Karanja.

De eerste president van Zwart Afrika, de Ghanese leider Kwame Nkrumah, pleitte al vanaf 1958 om de landbouwsector tot de economische spil van het continent te maken. Beloftes en mooie woorden voor de boeren sierden sindsdien talrijke pan-Afrikaanse topbijeenkomsten. Op een vergadering van de Afrikaanse Unie in 2006 beloofden veertig staatshoofden 10 procent van hun begrotingen aan landbouw te besteden. Weinig leiders hielden zich aan hun woorden. Kenia trekt 5 procent uit voor landbouw.

Gladys Nyambura staat op haar bouwland tussen haar bijen en haar bloemen. „Mijn vader zat al in de honing, hij was in de wijde omtrek beroemd om zijn smakelijke honingbier.” Ze kocht nieuwe bijenkorven en probeert de honing aan de man te brengen. „Waar kan ik mijn kleine hoeveelheden honing verkopen, ik weet niet wie er honing opkoopt?” vraagt ze zich af.

Chiro Wanjiro komt door het hoge gras aanslenteren. Ze heeft gehoord over Nyambura’s onderneming in honing. „Ik wil het ook gaan proberen”, zegt ze. „Ik kom informatie inwinnen.” De twee vrouwen praten over de marketing en over een nieuwe website die boerinnen willen openen om informatie uit te wisselen via hun mobiele telefoon.

Het mobieletelefoonnetwerk is de afgelopen jaren razendsnel gegroeid in Afrika en in Kenia kan tegenwoordig in vele uithoeken worden gebeld, geld worden overgemaakt per telefoon, internet worden bekeken en informatie over landbouwprijzen in Nairobi worden uitgewisseld.

„We moeten onze handen ineen slaan”, besluiten beide boerendames beslist. Landbouweconoom Andrew Karanja slaat instemmend met zijn handen op tafel. „Dáár begint de oplossing”, zegt hij resoluut. „Kenia heeft zelfs geen boerenbond. Landbouwers moeten zich organiseren in Afrika. In coöperaties en in vakbonden, om druk uit te oefenen op de politiek. Hun stem wordt niet gehoord.”

Meer informatie op: nrc.nl/voedselprijzen