Hof EU na ramp olietanker: de vervuiler moet betalen

De Bretonse gemeente Mesquer kreeg gisteren steun van het EU-Hof in haar ruzie met olieconcern Total na de schipbreuk van de olietanker Erika in 1999.

De vervuiler betaalt, luidt het principe, ook in het Europese milieubeleid. Maar in de praktijk lukt het lang niet altijd de schade op de vervuiler te verhalen. Na de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van gisteren over de schipbreuk van de olietanker Erika staan gedupeerden echter sterker.

„Een grote stap voorwaarts in de verankering van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ bij milieurampen”, zegt woordvoerder David Santillo van Greenpeace. „Iedereen heeft de mond vol van dat beginsel, maar als puntje bij paaltje komt ontstaat er vaak onenigheid over de aansprakelijkheid. Deze uitspraak is een mijlpaal. Zij schept helderheid voor bestuurders en rechters, en zij dwingt producenten om hun vervoersbedrijven veel zorgvuldiger te kiezen.”

De Europese rechters bogen zich over de ruzie tussen de Franse gemeente Mesquer en het Franse olieconcern Total, die ontstond nadat de Erika op 12 december 1999 in zware storm doormidden brak voor de kust van Bretagne.

Van de 35.000 ton zware stookolie die het schip in opdracht van Total vervoerde, lekte 20.000 ton weg. 400 kilometer kust raakte ernstig vervuild, tienduizenden vogels kwamen om, visserij en toerisme kregen rake klappen.

Total wees elke verantwoordelijkheid voor de ramp van de hand. Het concern was ervan uitgegaan dat de destijds 25 jaar oude tanker (van een Italiaanse reder en varend onder Maltese vlag) in goede staat verkeerde en zeewaardig was.

De gemeente Mesquer eiste van Total vergoeding van de kosten (bijna 70.000 euro, een fractie van de totale schade) voor het saneren van haar stukje kust. Ze beriep zich op de Europese afvalstoffenrichtlijn. Daarin staat onder meer dat de ‘houder’ (in dit geval de Erika) en/of de ‘producent’ (Total) moeten opdraaien voor de kosten van verwijdering van afvalstoffen.

De rechtbank in St. Nazaire wees de eis van Mesquer af. Reden: de zware stookolie was verkocht als brandstof (voor een elektriciteitscentrale) en dus geen afvalstof. Dat oordeel werd in hoger beroep door het hof in Rennes bevestigd. Daartegen ging Mesquer in appèl bij het Hof van Cassatie, dat de zaak voorlegde aan het Europees Hof in Luxemburg, de hoogste rechter inzake EU-aangelegenheden.

Nee, beslisten de Europese rechters gisteren, zware stookolie die wordt verkocht als brandstof, is géén afvalstof. Maar weggelekte zware stookolie die, vermengd met water en sedimenten, is afgedreven en aangespoeld op de kust, is wel een afvalstof. En dus is de schoonmaak voor rekening van de eigenaar van de Erika en/of Total.

Aan de aansprakelijkheid van Total verbond het Hof wel een restrictie. De producent kan alleen worden verplicht de schade te vergoeden „wanneer hij door zijn activiteiten heeft bijgedragen aan het risico dat de door de schipbreuk veroorzaakte verontreiniging zou optreden”.

De beslissing daarover is uiteindelijk aan de nationale rechter, in dit geval de Franse. Maar die heeft in een van de andere processen die zijn gevoerd, al vastgesteld dat Total ernstig nalatig is geweest, in het bijzonder bij de keuze van het schip. De Erika was goedkoop door haar leeftijd en haar lichte, enkelwandige uitvoering.

Arrest C-188/07 in de zaak-Erika via: nrc.nl/europa