Hoe klinkt Beethoven op z’n best

Beethovengeleerde Lewis Lockwood schreef Inside Beethovens Quartets.

Het werd een zeldzame ontmoeting van wetenschap en uitvoeringspraktijk.

De straffe zeewind achter het Muziekgebouw aan het IJ doet het haar van Lewis Lockwood onstuimig opvlokken – een Beethovenbuste gelijk. Het is een associatie die zich vanzelfsprekend opdringt; Lockwood had hem zelf óók, erkent hij. Als emeritus hoogleraar in de Muziekgeschiedenis aan Harvard en toegewijd amateurcellist wijdde hij zijn leven aan Beethoven. Na een reeks wetenschappelijke publicaties over Beethoven publiceerde Lockwood in 2003 de gezaghebbende, zeer feitelijke, maar meeslepende biografie Beethoven – The Music and the Life.

Lockwood was in Amsterdam voor een betoog over de ethiek in het werk van Beethoven, vorig weekeinde op de Nexus Conferentie. Iets eerder dit jaar verscheen zijn boek Inside Beethovens Quartets (2008), geschreven met het Juilliard String Quartet: een zeldzame ontmoeting tussen wetenschap en uitvoeringspraktijk. Historische inleidingen over Beethovens kwartetten staan naast conversaties tussen de kwartetleden en Lockwood over het hoe en waarom van de juiste uitvoering.

„Het idee was simpel”, zegt Lockwood, terwijl hij naar een luidsprekerbox in de bar van zijn hotel wijst. „Als je het popliedje dat we nu horen zou uitschrijven, had je op basis van die notentekst geen idee hoe het feitelijk klinkt. Omgekeerd geldt iets soortgelijks; wij hebben Beethovens partituren, maar hoe je die tot klinken brengt, is complex. Elke compositie is een oceaan van vragen. Musici doen allerlei dingen die ze nooit hebben hoeven rationaliseren, laat staan vatten in woorden of symbolen. Dat hebben ze in dit boek wél geprobeerd; de muzikale invulling – streken, dynamiek, tempo – is steeds met zelfverzonnen symbolen aangetekend in de notenvoorbeelden. Daarnaast bespreken we de muziek. En ik voorzie haar van enige historische en biografische context.”

Inside Beethovens Quartets drijft op drie vragen: hoe en waarom schreef Beethoven zijn strijkkwartetten, en hoe voer je ze het beste uit? Noodzakelijkerwijs komt maar een fractie van Beethovens kwartetmuziek aan bod. „De behandeling van alle strijkkwartetten zou een hele boekenplank hebben gevuld”, vermoedt Lockwood. Besproken worden dus ‘slechts’ drie openingsdelen van drie kwartetten; één vroeg (opus 18 nr.1), één uit de middenperiode (op. 59 nr.1) en één laat (opus 130). Maar binnen die marges worden alle vragen die de noten zouden kunnen oproepen, beantwoord.

„Het is een boek voor liefhebbers”, erkent Lockwood. „Maar ik ben uit principe optimistisch. Beethoven was groot; er zijn velen die dat voelen, maar ook graag willen begrijpen.”

In een van de discussies in het boek verbaast Joel Smirnoff zich over het begrip dat het publiek heeft voor de gespeelde muziek – hoe complex die soms ook is. „Dat is een centrale vraag”, zegt Lockwood. „Een stuk als Beethovens Grosse Fuge is zo ingewikkeld – hoe kán het dat een lekenpubliek dat snapt? Maar dat is het mysterie van goede muziek; die is complex én toegankelijk. Iedereen snapt goede muziek. Alleen snappen we andere dingen.”

Lockwood begon zelf bij musicologisch onderzoek naar de renaissance. Halverwege de jaren zestig besloot hij dat hij in zijn vak meer aansluiting wilde vinden bij zijn persoonlijk leven; de muziek die hij ook uitvoerde als vergevorderd amateurcellist. Via via stuitte hij op schetsboeken van Beethoven uit diens vroege jaren, en begon zo aan het bestuderen van „wat aspecten” van Beethovens werk en leven. „Beethoven is een kruispunt”, verklaart Lockwood zijn passie. „Als je zijn werken en leven bestudeert, moet je ook van Weber, Salieri, Mozart en Haydn weten – anders heb je geen idee van zijn context. Zo word je specialist, maar werk je tegelijkertijd in de breedte. Dat trok me.

En bleef trekken. „De kracht en de emotionaliteit van Beethovens muziek is enorm. Hij herdefinieerde zichzelf én de genres waarvan hij zich bediende voortdurend. En in elke fase van zijn ontwikkeling is er opnieuw zoveel waars in zijn muziek, in de compactheid en allesomvattendheid – vooral van de grote werken. Zoals componist Busoni verwoordde: Beethoven is de componist die muziek menselijk maakte. Hij wilde in zijn muziek grote krachten uitdrukken, de smaak van het volk verheffen, droomde van een depot voor gratis bladmuziek; zijn ethische doelen ware n steeds zeer hoog. Maar hij moest ook leven.”

Die frictie tussen droom en werkelijkheid is één van de facetten die Beethoven blijvend boeiend maken, vindt Lockwood. Als Beethoven bij de Achtste symfonie was gestopt, was hij de grootste componist van zijn tijd geweest. Maar hij is Beethoven; hij componeerde ook nog de Negende.”

Inside Beethoven’s Quartets: History, Performance, Interpretation , Lewis Lockwood, Juilliard String Quartet verscheen bij Harvard University Press.