Een Romeins scheepje in Utrechtste wijk De Meern

In De Meern in Utrecht zijn twee planken van een Romeinse ‘punter’ ontdekt.

Voor scheepsarcheologen is de boot een van de meest bijzondere vondsten ooit.

Bij De Meern in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn is een nieuw scheepstype uit de Romeinse tijd ontdekt. „Het gaat om een punterachtig scheepje,” zo meldt de Utrechtse stadsarcheoloog Erik Graafstal. En dat is bijzonder. „De oudst bekende punter tot nu toe stamt uit 1300.”

De resten van het scheepje, die gisteren helemaal zijn opgegraven, zijn al in maart ontdekt in een verlande rivierbedding uit de Romeinse tijd. De Utrechtse archeologen, die de afgelopen jaren in het gebied al vier andere Romeinse schepen (twee vrachtschepen en twee boomstamkano’s) hebben gevonden, keken niet gek op toen ze op twee planken scheepshout stuitten.

Uit routine werd Jaap Morel, scheepsarcheoloog van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), erbij gehaald. Na bestudering van het hout was Morel zeer enthousiast: „Voor ons scheepsarcheologen is dit een van de bijzonderste vondsten ooit!”

De twee eikenhouten planken, waarvan alleen de uiteinden waren blootgelegd, blijken samen alle kenmerken van een punter of bok te hebben: een plat, lancetvormig vlak (uit twee of drie planken) met een boord (van één of twee planken) dat in een hoek van 125 graden op het vlak staat. Bij de plank die het vlak vormt, is ook nog de inkeping zichtbaar waar de steven heeft gezeten. Aan de boordplank zit nog één spantje vast.

De spijkers, die nog in het hout zitten, maken Morel duidelijk dat het om een scheepje uit de Romeinse tijd gaat. „Alleen de Romeinen gebruikten spijkers. Later werden alleen nog houten pinnen gebruikt om planken met elkaar te verbinden.” Nog uit te voeren dendrochronologisch onderzoek moet een precieze datering opleveren. „Derde eeuw”, zegt Graafstal nu op grond van de stratigrafie.

Morel heeft een voorlopige reconstructie kunnen maken van wat de Meern 6 is gedoopt. (De Meern 5 is een spookschip: een wrak dat tientallen jaren geleden ontdekt zou zijn, maar waarvan de locatie ondanks een hernieuwde speurtocht nu onbekend is.) Het scheepje was 1,05 meter breed en negen meter lang. „Mogelijk is hij door economischer gebruik van het hout voortgekomen uit de boomstamkano’s, die uit de tweede eeuw stammen. Van hetzelfde hout zijn twee punters te maken.”

Door de grote overeenkomsten met middeleeuwse punters, die in Rotterdam en Overijssel zijn opgegraven, én moderne punters uit Giethoorn gaat Morel uit van continuïteit in scheepstechnologie. „Dit is dus geen oud-Hollandse vinding, maar een staaltje Italiaans design. Dit type heeft zich later onttrokken aan een ontwikkeling van ‘groter, sterker en sneller’. Bij dit werkschuitje hoefde dat niet. Het werkte en dat was genoeg.”

Morel ziet ook in de maatvoering een aanwijzing voor een voortgezette traditie. „De afstand tussen de spanten en leggers bij de Meern 6 en de middeleeuwse punters is 29,6 tot 29,9 centimeter; gelijk aan de Romeinse voet.”

De boot is waarschijnlijk voor lokaal vrachtvervoer gebruikt door het Romeinse leger, denkt Graafstal. „Hij is vlakbij het Romeinse fort op de Hoge Woerd gevonden.”

Het scheepje zal worden geconserveerd in de RACM-vestiging in Lelystad en mogelijk bij de Hoge Woerd worden tentoongesteld.